Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgemaakt naar de behoefte, zooals men die onderstelt, in verband met hetgeen noodig is geweest in het voorgaande jaar. De tweede aanmerking is deze: „Die leden meenen, dat de Staat, tegenover zulk eene betaling, hoogere eischen aan den leverancier mag doen." Deze aanmerking doet zien, dat de leden die ze gemaakt hebben, zich niet hebben herinnerd hoe ten aanzien van de keuze van dat papier wordt gehandeld. Die leden richten hunne opmerking tegen den Minister, over iets waarmede deze niets hoegenaanid te doen heeft; die aanmerking, indien ze juist is, moest tegen het bureau van deze Kamer worden gericht. Wat toch gebeurt er? Vóór den afloop van ieder jaar, nadat de verschillende soorten van papier zijn aanbesteed, worden de monsters, met de prijsbepaling aan het bureau der Kamer gezonden; en nu wordt bij ieder te drukken stuk, in den lastbrief, die van het bureau der Kamer voortkomt, en de Landsdrukkerij gericht is, de soort van papier bepaald. Aan het bureau der Kamer is insgelijks de vergelijking van het papier met het gekozen monster en den prijs, overgelaten. Ziedaar den gang van zaken. De Kamer kent papier en prijs vooraf, zij heeft de controle der rekening, en is het papier niet goed genoeg naar haren zin, dan kan zij eene andere soort kiezen. Wil zij meer betalen, het staat haar vrij; de zaak gaat geheel en al buiten het Departement van Binnenlandsche Zaken om.

Inlichting omtrent een verzoekschrift van een gewezen raadslid van Oud- en Nieuw-Gastel. Art. 21 der Gemeentewet.

Mijnheer de Voorzitter! Bij een besluit der Kamer, genomen in de laatste vergadering der afgeloopen zitting, is aan mij toegezonden, met de vraag om inlichting een verzoekschrift van een gewezen raadslid in eene gemeente van Noordbrabant, Oud- en Nieuw-Gastel. Ik ben gereed de verlangde inlichting aan de Kamer te geven, op het tijdstip waarop zij mocht goedvinden die inlichting te erlangen, hetzij nu, hetzij in de vergadering van morgen.

De inlichting werd terstond gewenscht.

Het geval, Mijnheer de Voorzitter, waarover het gewezen raadslid Bus zich bij deze Kamer heeft beklaagd, komt hierop neder. De Koning heeft tot burgemeester der gemeente een zwager van dat raadslid benoemd; daarop is bij het gemeentebestuur de aandacht gevallen op art. 21 der gemeentewet, luidende: „Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den burgemeester en de leden van den Raad, noch tusschen de leden onderling"; en is de vraag gerezen: hoe zal dat gaan, wanneer die burge-

Sluiten