Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat eene politieke partij in liet land, aan welke het onmogelijk zou wezen aan de verwachtingen der natie of aan de eischen der Grondwet te voldoen? Zoodanige partij behoort te verdwijnen.

De spreker onderstelt, dat hij geroepen kon zijn het Ministerie behulpzaam te wezen. Hoe gaarne ik hulp erlang daar ik hulp behoef, — zou ik toch, alvorens van den geachten spreker hulp te wensclien of te vragen, moeten weten van welken aard zij is. Of dergelijke bijstand hetgeen wij ons bij de vervulling onzer taak moeten voorstellen niet geheel en al zou doen ontaarden?

De geachte spreker doet — in die onderstelling dat hij geroepen kon zijn om het Ministerie behulpzaam te wezen — eenige vragen.

Vooreerst: wat denkt de ministerieele partij, wat denkt het Ministerie — ik zal de vraag zóó mogen stellen — van het aangenomen stelsel, alles te regelen bij algemeene organisatie? Ik kan op die vraag geen antwoord geven; ik begrijp ze niet. Wie heeft ooit beweerd, dat alles moet geregeld worden bij algemeene organisatie?

Ik meen beter te vatten hetgeen de geachte spreker er op liet volgen. Hij zeide, dat van drie wetten, de kieswet, de provinciale en de gemeentewet was gezegd, zij voltooiden de politieke organisatie van het volk. De geachte spreker vraagt: ontbreekt niet aan die politieke organisatie nog veel? Wat beteekent die vraag? Bedoelt de geachte spreker te vragen, of aan die wetten niets ontbreekt? Wie heeft beweerd, dat zij volkomen zijn? Maar het is niet genoeg die vraag te stellen, iedereen zal daarop ja zeggen, en de Minister in de eerste plaats; de vraag is, de gebreken aan te wijzen, het rechte tijdstip te kiezen om die gebreken aan te vullen of te verbeteren. Met het stellen der vraag van den geachten spreker, komen wij evenmin verder, als niet het antwoord dat ieder daarop zal geven.

Van die politieke organisatie springt de geachte spreker op eene andere vraag: welke is de betrekking tusschen het Ministerie en de Kroor.? \\ at wil hij daarmede zeggen? Het Ministerie is het orgaan van de Kroon, het Ministerie is het uitvoerend gezag onder de Kroon, en voor die uitvoering verantwoordelijk. Wil de geachte spreker een ander antwoord, hij ontwikkele zijne vraag duidelijk.

Welke is de betrekking tusschen het Ministerie en de Staten-Generaal? vraagt de geachte spreker verder. Mij dunkt, dat, ondervindende, sedert drie jaren, die betrekking, de geachte spreker, even als ieder ander lid van deze Vergadering, zich zeiven daarop het beste antwoord kan geven. Indien de geachte spreker die betrekking had gekarakteriseerd en tegenspraak had uitgelokt: indien hij gezegd had: ik beschouw die betrekking zóó, is die beschouwing juist? men kon een antwoord beproeven. Maar dat heeft de geachte spreker niet gedaan; hij heeft slechts gevraagd: welke is de betrekking tusschen het Ministerie en de Staten-Generaal? Zoo ik evenwel moet antwoorden, dan geloof ik te thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 5

Sluiten