Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van te gewagen, zulke gevaren zouden kunnen doen naderen vóór den tijd, zoo ze op weg mochten zijn. De Fransche Regeering zal, wanneer zij naijverig mocht wezen op de vrijheid van drukpers hier te lande, zich door het opgaan uwer stemmen niet laten afschrikken. Het zal echter, zoodra werkelijk inbreuk op onze rechten en vrijheden moch worden beproefd, — het zal dan staan aan het Gouvernement die af te weren.

Wij kunnen, in den geest van den afgevaardigde uit Arnhem, de opkomst der groote mogendheden voor de onafhankelijkheid der kleine mogendheden duchten; wij kunnen die niet tegengaan. Doch de kleine mogendheden kunnen innerlijke sterkte daartegen overstellen en ook zedelijk eene kracht van weerstand — ik zeg niet invloed naar buiten — maar eene kracht van weerstand uitoefenen, groot genoeg om hare instellingen te beschermen.

\\ ij moeten, zegt de geachte afgevaardigde, eerbied hebben voor de zelfstandigheid van de deelen van ons nationaal bestaan; die eerbiediging zal onze kracht vergrooten. Ik hen het volkomen met dien geachten spreker eens; ik meen dat de Grondwet dit eischt, dat onze instellingen daarop gebouwd zijn, maar ik versta onder zelfstandigheid vrijheid der deelen, gevoegd in en ondergeschikt aan het geheei, geene onafhankelijkheid die juist tot verzwakking van bet geheel en ten laatste tot regeeringloosheid zou leiden.

De geachte spreker uit de residentie, de heer Groen van Prinsterer, meende ten slotte, dat, wanneer ik gisteren zeide, dat men door gestadig gevaren in den mond te hebben een gevaarlijken toestand zou kunnen scheppen, ik daardoor op weg was om datgene aan te trekken, wat ik wilde keeren. Ik antwoorde, dat de vrees de meest doodende is van alle hartstochten, dat vrees niet tot handelen stemt en dat men de vrees zoo lang mogelijk moet verwijderd houden èn van zich èn vooral van anderen, ten aanzien van wie hare werking niet te berekenen is.

20 November. Antwoord aan den heer Groen van Prinsterer.

Alvorens het antwoord, dat de geachte spreker uit de residentie (de heer Groen van Prinsterer) uitlokt, te beproeven moet ik twee feiten opnemen die gisteren en heden door twee andere sprekers zijn voorgedragen.

Een spreker van gisteren — zoo mijne aanteekeningen mij niet bedriegen, is het de afgevaardigde uit Arnhem (de heer Mackay) — heeft met een half woord gewaagd van de vraag, of hier te lande een verbod zou zijn gegeven om zeker werk te verkoopen.

Oe afgevaardigde, wie hij zij, weet dat zoodanig verbod niet kon zijn gegeven. De Regeering is er niet toe bevoegd, men is in dit opzicht

Sluiten