Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen. Hij bezit het onder zijne stukken, en wel met het exhibitum van 26 Juni 1852, no. 10.

De vervulling, die plaats had, betrof overigens, opdat men in zijne voorstelling niet eene te groote uitbreiding aan de zaak geve (men spreekt van het Maaswaalsche en zou lichtelijk daaronder alle scholen in die streek kunnen begrijpen), twee scholen; de vervulling van de derde, die van Appeltern, is nog niet geschied.

Van de zijde der kerkbesturen wordt een recht van eigendom op de schoolgebouwen beweerd; dat recht moet gelden voor den gewonen rechter; het is eene zofg, geheel buiten den Minister van Binnenlandsche Zaken.

In de tweede plaats heeft de geachte spreker gemeend, de aandacht der Regeering te moeten vestigen op de noodzakelijkheid, dat een vacante post van hoogleeraar in de godgeleerdheid te Leiden worde vervuld. Ik hoor het uiten van dien wensch van de zijde van den geachten afgevaardigde uit Nijmegen jegens mij met bijzonder genoegen. Hij heeft gezegd, dat hij meende te mogen vertrouwen, dat de Minister ook in dat opzicht de billijkheid zou betrachten. Onder billijkheid zal hier wel het belang van de hoogeschool, het belang van de echte wetenschap moeten worden verstaan. Ik geloof, dat door gebeurtenissen, die een jaar geleden nog niet hadden plaats gehad, het tijdstip der vervulling naderbij gekomen is. Het zal niet lang duren of de geachte afgevaardigde zal vernemen, dat aan zijnen wensch is voldaan.

De spreker uit Utrecht heeft eene discussie hervat, die reeds een paar reizen in deze Vergadering is gevoerd tusschen hem, andere sprekers en mij, over het zoogenaamde Staatsexamen. De geachte spreker heeft zich ook nu weder doen kennen als een vereerder van dat besluit van 1845, dat op mijne voordracht is afgeschaft. De geachte spreker heeft de goede uitkomsten van dat besluit opgeteld, zoowel verleden jaar als vóór twee jaren, en verklaard, dat de draad dier goede uitkomsten door den tegenwoordigen Minister was afgesneden. De spreker heeft getwijfeld aan het recht en aan de doelmatigheid van die afschaffing. Ik heb er niets meer over te zeggen, Mijne Heeren, dan hetgeen ik gezegd heb verleden jaar, en zoo ik meen voor twee jaren, hetgeen nu met een enkel krachtig woord is herinnerd door den spreker uit Tiel (den heer Engelen).

Indien dat moet opgaan, hetgeen de geachte spreker uit Utrecht zegt over het recht, dan moesten sedert de Grondwet van 1848 onderscheidene zoo niet de meeste takken van het Staatsbestuur stilstaan, totdat zij door de wet waren geregeld. Dat is mijne meening niet, noch geweest, het was de meening van het Gouvernement niet sedert 1848; en hetgeen, ondanks de bewering des sprekers, bij andere takken van bestuur is ondernomen, heeft ook bij het onderwijs plaats gehad, en kan, zoolang de wet er niet is, evenzeer blijven plaats hebben.

Sluiten