Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatstvoorgaande spreker (de heer Sloet), Mijnheer de Voorzitter, heeft, weder, op zijne wijze, blijken gegeven, èn van zijn liooge, van zijne ijverige belangstelling in al wat edel en goed is, èn van zijn talent van vroolijke, humoristische overdrijving.

Hij heeft in de laatste plaats gesproken van het gemis van een catalogus der Koninklijke bibliotheek. Ik denk dat de geachte spreker de memorie van beantwoording heeft gelezen. Hij zal daarin gevonden hebben, wat ik kon toezeggen, en tevens de aanwijzing van de beletselen in den laatsten tijd. Ik kan daarbij voegen dat ik uitzicht meen te hebben, dat gedeelte van den catalogus, hetgeen ik bijzonder verlang, omdat het van het meest algemeen gebruik zal kunnen zijn, den catalogus van de politieke en rechtsgeleerde boeken, te zien verschijnen in den loop van het aanstaand jaar.

De geachte spreker heeft de belangstelling ingeroepen voor het behoud van de woning van Willem den Eersten. Dat tot aandrang door den geachten spreker het voorbeeld van de woning van Rousseau werd gebezigd, is mij eenigszins verrassend voorgekomen. Nadat eenige eeuwen zullen verstreken zijn, wat zal er dan met de woning van Rousseau zijn gebeurd'? Ik geloof ook niet, dat die Delftenaar, die door een vreemdeling zou worden aangesproken niet de vragen, door den geachten spieker gesteld, zich in verlegenheid behoeft te vinden. Hetzelfde toch wat niet de woning van Willem den Eersten is geschied, is in alle landen van tijd tot tijd gebeurd met de woningen van hoogst beroemde en zeer verdienstelijke mannen. Een toeval, de nood, heeft in tijden waarin men het niet verhinderen kon, zoodanige woning tot ander gebruik doen bestemmen, en nadat op die wijze bestemming en innerlijke inrichting waren veranderd, was de oorspronkelijke vorm niet te herstellen. Zoo is het gegaan met de woning van Willem den Eersten; eene groote zaal en de trap wellicht, waarop de moordenaar ontvluchtte, zijn overgebleven. Of er meer van vroeger behouden is, durf ik niet verzekeren, en mag ik, naar de berichten, niet aannemen. Ik heb er opzettelijk onderzoek naar laten doen, en of nu in de tegenwoordige vermenging met de overige deelen van het gebouw dat gedeelte zal kunnen worden behouden, is de vraag. Ik zeg daarop voor het oogenblik noch ja, noch neen, maar ik wenscli niet dat eene beschuldiging tegen onze natie daarover worde geformeerd, dat de woning van W illem den Eersten niet meer gaaf is. Had men de verandering kunnen voorkomen, en daarop altoos de aandacht vestigen, het zou geschied zijn; maar in de lotgevallen van dit land sedert den dood van Willem den Eersten mag meer dan ééne reden liggen om in dat opzicht onze voorvaderen te verschoonen.

De geachte spreker wenscht eene verhooging van het natuurkundighistorisch museum te Leiden. Ik geloof niet, Mijne Heeren, dat die wensch gemotiveerd is. Er is geene aanvrage bij mij gekomen, en de thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 10

Sluiten