Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geachte spreker met mij voorstaat, te vinden is, dan is het, met het oog op de gedachte van de Commissie van 1848, eene fout; dan heeft de Commissie niet bereikt, wat zij bereiken wilde, want zij heeft dat beginsel willen uitsluiten.

8 December. Ontwerp van wet tot bekrachtiging eener provinciale belasting. Aard der heffingen voor het gebruik van werken van overheidswege ten algemeenen nutte aangelegd. (Vergel. 1S49—50 blz. 201. 1850 - 51 blz. 334).

Mijnheer de Voorzitter, ik geloof het is buiten twijfel hetgeen de geachte laatste spreker heeft herinnerd, dat het beginsel door de Kamer reeds is aangenomen. De wet no. 9, met eenparige stemmen, min ééne, goedgekeurd, bekrachtigt een havenrecht in Groningen, eene retributie volkomen van dezelfde natuur als degene die hier, voor Zeeland, aan de bekrachtiging der wetgevende macht wordt onderworpen. Het is een recht ten behoeve der provincie Groningen te heffen, gelijk dit een recht is ten behoeve van de provincie Zeeland. Niettemin verheug ik mij, ook voor het vervolg, gelegenheid te hebben de gronden helder en duidelijk te doen uitkomen.

Er is hier, Mijne Heeren, een strijd zooals die niet altoos plaats vindt, tusschen de geachte sprekers en het Gouvernement. De geachte sprekers willen aan de Kroon meer geven, en de Kroon wil minder hebben. Ik voor mij heb de overtuiging — en in dien zin is de onderhandeling gevoerd met de Staten van Zeeland, gelijk met de Staten van Groningen — dat de Koning niet, met bekrachtiging van de provinciale besluiten, zoodanige heffing kan doen invoeren.

De geachte spreker uit Zeeland (de heer Slicher van Domburg) heeft de ontvangsten der provincie onderscheiden in twee klassen. Er zijn belastingen, zeide hij, waartoe wordt bijgedragen door alle ingezenen, en er zijn andere inkomsten, bij voorbeeld: tollen, steigergelden en dergelijke. Die twee klassen hebben wij ook bij de inkomsten van den Staat. En nu gelieve de geachte spreker zich te herinneren hetgeen de wetgever ten aanzien van sommige takken van die inkomsten reeds heeft gedaan, en hetgeen de wetgever zich voorstelt ten aanzien van andere derzelfde klassen te doen. De wetgever heeft de vuur-, ton- en bakengelden, en het porto der brieven geregeld. Toen in 1849 het ontwerp werd voorgesteld, om de vuur-, ton- en bakengelden bij de wet te regelen, werd in den aanhef van het verslag vanwege de Kamer gezegd:

„Bij het onderzoek van dit wetsontwerp is vrij eenstemmig, niet „weinige uitzondering, toegejuicht, dat het onderwerp der vuur-, ton ,,en bakengelden voortaan bij de wet zal zijn geregeld, en dat de

Sluiten