Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zal nauwelijks noodig zijn te doen opmerken, dat, zoo de Kamer dit ontwerp afstemde, het gevolg zou wezen, dat deze heffing niet zou mogen geschieden.

De geachte spreker uit Friesland (de heer van Eijsinga) heeft gemeend eene bepaling van belasting te mogen vooropstellen. Volgens hem is belasting, hetgeen van de burgers gevorderd wordt voor den algemeenen dienst; deze heffing strekt niet voor den algemeenen dienst en dus is deze heffing geene belasting, zegt hij. Ik vraag den geachten spreker: den algemeenen dienst, wat moet daaronder worden verstaan? Men kan algemeenen dienst beschouwen in haar geheel, men kan haar ook beschouwen voor zooveel zij is verdeeld in onderscheidene inrichtingen. Die algemeene dienst begrijpt eene grooto verscheidenheid van zoodanige instellingen, en nu vraag ik, of het onderscheid tusschen belasting en niet-belasting, tengevolge van deze definitie, niet uiterst duister, flauw en nauwelijks herkenbaar wordt? Wat gebeurt er met de gelden die van deze heffing komen? Zij worden in de kas der provincie gestort. Maar, zegt men, de provincie behoefde daarvoor die heffing niet. Zij had een opcent kunnen heffen. Had men een opcent geheven, dan zou de geachte spreker gezegd hebben, het strekt voor den algemeenen dienst. Maar die opcent, zoo hij ware geheven, had ook gediend voor den aanleg en het onderhoud der steigers en dus niet voor den algemeenen dienst.

In de tweede plaats, dan moesten ook de tollen voor belasting worden gehouden. Ik ben ook van die meening; de algemeene wetgeving beweegt zich op dien weg en aan de wetgevende macht zal worden voorgedragen het besluit van 1833 door eene wet te vervangen. Daartegen heeft echter de rechterlijke macht uitspraak gedaan bij gelegenheid van het Zwolsche Diep. Mijne Heeren! is het Gouvernemen, zijn de wetgevende Kamers in zoodanige zaken gebonden aan de uitspraken der rechterlijke macht? Zullen wij den burgerlijken rechter gaan vragen, wat belasting zij of niet? Dit is zaak van het Staatsgezag, niet van de rechterlijke macht. Daarenboven moet ik opmerken, dat het bij het Zwolsche Diep gold een recht, door particulieren geheven tengevolge van eene Koninklijke concessie, evenals een recht geheven wordt op eenen weg, aangelegd en onderhouden door particulieren tengevolge van eene dergelijke vergunning.

De geachte spreker heeft ten derde uit art. 238 der gemeentewet eene reden ontleend om zoodanige heffing, als waarvan hier sprake is, niet voor eene belasting te houden. Dit is wederlegd door den geachten spreker uit Overijsel (den heer van Roijen). Ik ben verre te meenen, dat de heffingen, in art. 238 opgenoemd, geene belastingen zijn. Dit is evenwel de zin waarin de geachte spreker het artikel opvat; alleen bij fictie, zegt hij, worden zij in de rij der belastingen geplaatst. Neen, art. 238 heeft allen twijfel te dien aanzien door de

Sluiten