Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zou kunnen ontstaan, indien dergelijke heffingen niet aan den algemeenen regel, voor belastingen gesteld, wierden onderworpen. De geachte spreker heeft, naar aanleiding daarvan, gezegd: „aan willekeur kan niet worden gedacht, want de Koning moet altoos goedkeuren." Mijne Heeren, ik wensch zeer, ik hoop, dat de Kroon, gedekt door de ministerieele verantwoordelijkheid, alle willekeur zal weten te verhoeden, maar ik weet toch niet of daarin, hetzij voor deze wet, hetzij voor de wetgeving in het algemeen genoegzame waarborg is gelegen. De spreker moet zelf gevoelen, dat zijne reden verre zou kunnen strekken en daardoor de taak van deze Vergadering, in de onderstelling dat er geene willekeur is te vreezen bij hetgeep de Kroon doet onder de ministerieele verantwoordelijkheid, bijzonder zou kunnen worden vereenvoudigd.

De provinciale vertegenwoordiging blijft hier in haar geheel; zij neemt het initiatief, zij draagt haar besluit voor aan den Koning; het is de Koning die de belasting als zoodanig onderwerpt aan de bekrachtiging van de wetgevende macht.

De geachte spreker uit Gelderland, de heer van Dam van Isselt, wenscht dat de opbrengst van de belasting niet hooger klimme dan de kosten voor het onderhoud van de steigers noodig. De opbrengst blijft aanzienlijk beneden de kosten; althans uit de raming, die tot dusverre kon worden opgemaakt, in verband met de voorgaande tarieven, moet dit worden afgeleid. Mocht in het vervolg het tegendeel blijken en de opbrengst rijzen boven de kosten, aanstonds zal eene herziening van het tarief worden voorgesteld.

De geachte spreker uit Gelderland heeft genieend, dat hier een strijd zou kunnen geboren worden met art. 131 der Grondwet. Volgens dat artikel moeten de Provinciale Staten zorgen, dat de doorvoer en de uitvoer naar en invoer uit andere provinciën geene belemmering ondergaan.

Indien zoodanige provinciale steigers, ingesteld tot bevordering van het onderling verkeer, kosten van aanbouw en onderhoud vorderen, dan zullen de heffingen om die kosten te vinden niet kunnen worden beschouwd als eene belemmering, maar veeleer moeten worden beschouwd als eene bevordering van het verkeer tusschen de onderscheidene provinciën. Zoo is het ook met de havengelden en alle dergelijke heffingen, die strekken om de onderlinge gemeenschap te bevorderen.

De spreker uit Friesland, dit het laatst het woord voerde, de heer van Swinderen, heeft aangedrongen op de reden door den heer van Eijsinga in het midden gebracht, dat de zaak niet met genoegzame zorg was bewerkt; want men was niet bedacht geweest op art. 172 der Grondwet, luidende: „Geene privilegien kunnen in het stuk van belastingen worden verleend." Zoo de Provinciale Staten, meende hij, geweten

Sluiten