Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere landen eene retributie geheven wordt. Men kan niet zeggen, dat de heffing der taxe ondergeschikt is aan eene bepaalde bestemming, en niet zou geschied zijn, indien de opbrengst die bestemming niet hadde erlangd.

Een derde punt is dit. Er is gesproken door den geachten spreker uit Gelderland, den heer van Dam van Isselt, er is gewaagd door den geachten spreker uit Groningen (den heer Cremers) die meer tot het gevoelen van den Minister van Finantien nadert, van rechterlijke beslissing. De spreker uit Gelderland heeft gemeend, dat de Staat wel als eigenaar van het fonds kan worden beschouwd, maar niet zoo het er op aankwam eene andere bestemming te geven aan de inkomsten van het fonds. Wie, vraag ik, zou dan die andere bestemming kunnen geven? De wetgever heeft tot dusverre, sedert 1843, deze inkomsten aangewezen om te strekken tot dekking der uitgaven, die op de begrooting waren gebracht. Zullen nu die inkomsten eene andere bestemming erlangen, dan zal het toch wel noodig wezen, dat zij door de wet worde aangewezen. Er wordt dus of eene bijzondere wet of een artikel op de begrooting vereischt, waardoor aan de inkomsten eene bestemming worde gegeven, overeenkomstig de bedoeling die, volgens den spreker, van den beginne af de meening van den Koninklijken insteller van het fonds is geweest. Hoe een rechter hier tussclien beide kunne komen, schijnt mij niet wel te vatten. Wat de Regeering betreft, zij zal afwachten of een lid der Tweede Kamer hetzij een amendement in de begrooting, hetzij een ontwerp van wet zal voorstellen, waarbij deze inkomsten ten behoeve van adelijke personen worden bestemd.

Tweede Kamer. 9 Maart. Ontwerp van wet tot regeling der

strafwetgevende macht der waterschapsbesturen, alsmede van het gezag van den KoNING en van gedeputeerde staten, bij NIET behoorlijke voorziening in de behoeften van den waterstaat. Algemeene beraadslaging. De vraag, of waterschapsbesturen het recht konden bezitten, om keuren of verordeningen van politie te maken, was bij de behandeling der provinciale wet uitgevochten. (Vergel. Dl. II, 1849 1850, blz. 224.) Het eerste gedeelte van het aanhangig ontwerp, waarbij nu, in tegenstelling van het ontwerp van 1850, aan de macht, die bevoegd was de keur te maken, zelve de bevoegdheid werd toegekend, straffen te bedreigen tegen overtreding van die keur, ondervond thans weinig tegenstand. Zooveel te meer daarentegen werd tegen de beide andere gedeelten van het ontwerp in het midden gebracht.

De tweede paragraaf, waarin de middelen werden aangewezen, om een in de vervulling van zijn taak nalatig of weigerachtig waterschapsbestuur tot zijn plicht te dwingen, heette een ernstigen aanslag te bevatten op het beginsel der autonomie der waterschappen. In naam

13*

Sluiten