Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich bedriegt, en ik zal aanstonds, bij het doorloopen van de aaneenschakeling onzer wetgeving te dien onzichte, op de algemeene leemte wijzen, waarin bij dit ontwerp wordt voorzien.

De geachte spreker uit Delft (de heer Wintgens), die zich bijzonder krachtig tegen dit ontwerp heeft verklaard, heeft gezegd: wacht u, het is geene voorbijgaande wet, het zijn blijvende voorschriften. Derhalve, zoo het eene gelegenheidswet, eene voorbijgaande wet ware, de geachte spreker zou er zijne stem aan kunnen geven.

Tot geruststelling van den geachten spreker kan, meen ik, deze opmerking strekken. Het is eene wet van blijvenden aard. Zij drukt mijne overtuiging uit, en, ben ik gelukkig genoeg aan deze Vergadering de algemeene wet te kunnen voordragen, men zal deze beginselen daarin terugvinden. Maar de geachte spreker acht het van groot belang, dat die algemeene wet kome, en, wanneer daarin diezelfde beginselen worden gevonden, hij zal ze dan kunnen bestrijden, en in zooverre is het geene wet van blijvenden aard, maar eene wet, die na eenigen tijd, opnieuw aan zijne controle zal worden onderworpen.

Dezelfde geachte spreker heeft ons gewezen op de mildheid van de vroegere wetgeving, en wel ten eerste op het gulden tijdperk van onze nationale vrijheid, op de oude Republiek. Mijne Heeren, ik geloof, dat men juist in dat zoogenaamde tijdperk van nationale vrijheid op het gebied van den waterstaat, bij nadere beschouwing zal vinden de meest despotieke vereeniging van wetgeving en bestuur. Maar wat bestond toen nog niet? Wat wij nu noodig hebben, zonder hetwelk geen Minister van Binnenlandsche Zaken kan blijven aan het hoofd van den staf van dezen militairen staat. Er was toen geen toezicht. Dat ontbrak. Maar telkens te spreken van vrijheid tegenover de handelingen van een gezag, dat tevens wetgeving en bestuur was, — ik geloof, men moet een ander begrip van vrijheid hebben dan hetgeen men gewoonlijk daaraan verbindt. Daarop is, in het begin onzer eeuw, gevolgd het eerste beginsel van algemeen bestuur, van toezicht bij de wet van 1800, en ziedaar waar ik tevens wensch te antwoorden op de aanmerking van den geachten spreker uit Nijmegen, welke ik zoo even heb herinnerd. Wat zegt de wet van 1800? Vooreerst dringt zij bij art. 9 aan, „pligt,,matige zorg van alle belanghebbende dijkbesturen, om ten hunnen „koste voor de veiligheid hunner dijken en waterkeeringen, in het ontvetten van dezelve als anderzins, door daartoe dienstige werken en „middelen de noodige zorgen te blijven dragen ingevolge hunne particuliere keuren en ordonnantiën." En dan art. 10: „Indien de Commissie van Superintendentie oordeelen mocht, dat er aan dijken „en waterkeeringen of gedeelten van dien, staande ten laste van dijks„collegiën of particulieren, verhooging, verzwaring of verbetering be,,hoorde te geschieden, of ook dat reeds liggende werken, in art. 1 „genoemd, behoorden te worden veranderd, of geheel of gedeeltelijk

Sluiten