Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld, oni in te halen hetgeen ik in mijne eerste rede heb verzuimd, of om nader toe te lichten hetgeen ik heb gezegd.

Vooreerst ten aanzien van de onderscheidene punten aangeroerd door den vorigen spreker (den heer Mackay). Hij is teruggekomen op de vluchtheuvels. Hij heeft zich verschoond, maar opnieuw bewezen, dat hij enkel het oog heeft gehad op de laatste onderhandelingen tusschen de Regeering en de Provinciale Staten. Die laatste onderhandelingen hadden betrekking tot eene tweede besteding van vluchtheuvels, waartoe het Rijk 5 a 6 duizend gulden kon afzonderen. Toen kwam het terug op de aanvrage in 1851 reeds gedaan aan de Staten: „Nu kunt gij, behalve de vluchtheuvels die reeds zijn opgericht of aanbesteed, ook nog die verkrijgen, mits gij zeiven ook bijdraagt." Dit veranderde niet* in het oorspronkelijke stelsel, een subsidie te verleenen tot hetgeen door provinciale en plaatselijke hulp moest worden aangevuld.

De geachte spreker heeft minder juist opgevat hetgeen ik ten aanzien van den geest van tegenstand van Steenenhoek heb gezegd. Ik heb geen bard woord willen gebruiken dat iemand hoegenaamd zou kunnen krenken; maar ik moet den geachten spreker waarschuwen tegen eene vergissing, die hij niet zoo velen, die zich hebben verzet tegen het leveren eener bijdrage ten behoeve van het kanaal, begaat; de \ei gissing hieruit voortspruitende, dat men de eigenlijke bestemming, een uitwateringskanaal te zijn, niet in het oog hield. Men beweerde, dat het een scheepvaartkanaal ten behoeve van Gorkum ware; „het gaat ons niet aan, zeide men, gij kunt zelfs een dam leggen midden in het kanaal, wij zullen er ons niet om bekreunen." Zóó ver ging de eens opgewonden geest van verzet.

„Oppertoezicht kan tot geen initiatief leiden, zeide de geachte spreker; die opmerking sloeg niet op de twee eerste gedeelten der wet. alleen op de laatste, waarbij aan den Koning de macht wordt toegekend om, wanneer de Staten van twee of drie provinciën het niet kunnen brengen tot zoodanige regeling, haar in den vorm van een algenieenen maatregel van inwendig bestuur tot stand te brengen. Kunnen de Staten der provinciën niet tot overeenstemming komen, ook dan zelfs ontzegt de Grondwet, meent de geachte spreker, aan den Koning, aan w ien uitsluitend het oppertoezicht gegeven wordt, de macht tot dergelijke regeling. De geachte spreker, dunkt mij, heeft uitsluitend het oog op art. 190, en art. 191 overgeslagen. Dat artikel zegt: „De wet regelt „het algemeene en het bijzondere bestuur van den waterstaat in den „bovengemelden omvang," en dus zal, dunkt mij> de wet aan oen Koning de macht kunnen geven, die in het algemeen belang nuttig en noodig is. Maatregelen van algemeen bestuur zijn hier niet denkbaar, heeft die spreker gezegd. Waarom niet? De geachte spreker heeft een voorbeeld in het bij de Kamer aanhangige wetsvoorstel tot regeling van het toezicht op de landverhuizers; eene wet van algemeene beginselen, tot uit-

i

Sluiten