Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deputeerde Staten, zeide men, konden geen lokale kennis hebben van ieder perceeltje van de provincie, noch van ieder waterschap. Maar het is iets anders eene zaak te beoordeelen nadat zij met de middelen, die de Minister te zijner beschikking heeft, is onderzocht, dan de verrichtingen van alle onderzoekers zelf te vervullen. Dit laatste — en zoo de geachte spreker dit meent, moet ik hem volkomen toegeven ,— dit laatste kan van den Minister noch worden gewacht, noch gevorderd.

,,Er zal zijn," zegt de spreker, „bij het Algemeen Bestuur, zoowel als bij de Gedeputeerde Staten, eene natuurlijke overhelling om de lasten op de waterschapsbesturen te brengen." Ik geloof dat niet, Mijne Heeren; het is niet gebleken en het zal, dunkt mij, niet blijken in het vervolg. Wat toch is in dit land het geheel eigenaardige systeem, dat in zoovele opzichten voortreffelijk mag heeten'? Aan de inspanning, die van Rijkswege, van wege de provinciën tot handhaving van onzen waterstaat moet worden gedaan, al die particuliere krachten, waarvan zoovele zich vroeger en later vrijwillig aan het Gouvernement, aan de provinciale macht hebben aangesloten, zorgvuldig te verbinden. Die krachten mishandelende, zou men zijne eigene kracht verliezen of te kort schieten. Ik heb het denkbeeld van indeplaatsstelling vroeger hooren opperen en bestreden. Noch het Gouvernement, noch de provinciale macht kan zich in de plaats stellen van al dat partikuliere vermogen, dat wij nu tot beveiliging van onzen waterstaat zien medewerken; het is dus het natuurlijk beginsel van het Gouvernement en van de provinciale macht, veeleer te sparen en te ondersteunen dan te drukken hetgeen helpen moet.

De spreker beklaagt zich, dat de tijden, helaas, zoo veranderd zijn. Te voren, zeide hij, was er zoo groote bezorgdheid voor den invloed van de Kroon, en tegenwoordig wordt een Minister nauwelijks meer als feilbaar beschouwd. Ik denk niet, dat deze Kamer, ik denk niet dat het publieke oordeel in dit land in de laatste jaren grond heeft gegeven tot eene voor de Ministers zoo vleiende onderstelling; maar ik moet ook in dit opzicht terugkomen op hetgeen ik zoo even zeide: het kan zijn, dat de kritiek, die over de Ministers in de laatste jaren gevoerd is, niet altijd van alle kanten was zóó heftig, zóó fel, als waardoor de geachte spreker misschien de Ministers gaarne zag treffen; indien hij dit als het groote voordeel van de invoering, van de werking der ministerieele verantwoordelijkheid, als het groote voordeel der publiciteit beschouwde, dat er een algemeene oorlog tegen de Ministers of tegen het Gouvernement zou uitbarsten, dan heeft hij dat gevolg tot dusver niet beleefd, en in zoover kan ik toegeven, dat de ministerieele verantwoordelijkheid, dat de meerdere openbaarheid, die wij hebben verkregen, in de gevolgen voor hem teleurstellingen zijn geweest.

Het tweede punt, dat de spreker wilde behandelen, betreft het proportioneel dragen in de betaling. Te dien aanzien heeft hij zich vergenoegd

Sluiten