Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting toch sluit alles binnen nauwe perken. In die reglementen, waaruit ik de eer had zoo even eenige artikelen aan de Vergadering voor te lezen, is geen grens hoegenaamd. Er is geen grond opgegeven, waarop de beslissing van Gedeputeerde Staten zou behooren te rusten, geene regelen waarbinnen zij zich behooren te bepalen. Hier zijn de gronden genoemd, en alleen op die gronden zal de beslissing kunnen worden genomen. Op die gronden zal in appèl eene eerst genomen beslissing kunnen worden vernietigd. Het woord inrichting geeft aan al degenen, die eene beslissing van Gedeputeerde Staten, 0111 een last op de waterschapsbesturen te leggen, willen bestrijden, oneindig vele wapenen in de hand. Wat inrichting beteekent in het algemeen, dit, geloof ik, is duidelijk genoeg in de gedrukte stukken uiteengezet.

Het noemen van dat woord in de wet heeft bij den spreker een ander bezwaar gewekt. Het kan, meent hij, hiertoe leiden dat men van de zijde der provinciale macht, van de zijde van het Algemeen Gouvernement, in de inwendige huishouding grijpe, en dat moet niet zijn. ,,\\ at moet men doen van de zijde der provinciale macht, van de zijde van het Algemeen Gouvernement? Men moet waken voor de belangen van anderen; men moet zien of bij de handelingen van een waterschapsbestuur, bij nalatigheid der waterschappen, andere belangen worden benadeeld." Ik durf dat niet zoo uitsluitend toegeven, evenmin als ik zou durven erkennen hetgeen niet te goeder ure, zoo mij voorkomt, de spreker uit de residentie, dien ik het eerst heb beantwoord, aanhaalde uit liet adres van Delfland: „dien water deert, die water keert." Moet dit in dien zin worden opgenomen als die spreker bedoelde en ook de adressanten wrilden, dan zijn onze waterschappen geïsoleerde privaathuishoudingen. Maar onze waterschappen zijn niet geïsoleerd en mogen het niet zijn; zij maken een groot verband, een grooten Staat uit, en het belang van dien Staat moet in zijne bijzondere deelen worden behartigd. Het is onmogelijk zelfs dat te doen, hetgeen de geachte afgevaardigde uit Gouda heeft voorgesteld, dat de hoogere macht de belangen van anderen, van het algemeen, behoorlijk waarborge zonder te treden in hetgeen de inrichting van het waterschap vordert.

Ik heb nog eene andere reden, die den geachten afgevaardigde uit Gouda onmiskenbaar zal voorkomen. Ik vraag, waarop berust de inrichting van het waterschap? Onder duizend waterschappen in dit land (en dit is geen totaal, want wij hebben er in Zuidholiand alleen 800 of 900) berusten 990, misschien 999, op eene uitdrukkelijke toestemming en formatie van wege het hooger gezag. Welnu, kan nu ae plicht van dat hooger gezag worden miskend om de besturen der waterschappen binnen de voorwaarden dier formatie te houden?

„Het waterschap", zegt de geachte spreker, „staat niet gelijk met eene gemeente. Ik geef dat toe: maar in vele opzichten is hier de contróle van het hooger gezag veel meer noodig. Aan de waterschappen

Sluiten