Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nootschappen hebben volkomen vrijheid alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.

„De bepalingen daartoe vastgesteld worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede vóór of bij het ia werking brengen daarvan, op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.

„Voor zooveel er zich onder de bepalingen bij dit artikel bedoeld eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling vooraf door Ons is goedgekeurd."

De heer van Rappard had voorgesteld het tweede lid te laten aanvangen : „De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel enz."

Tegenover het derde lid van het regeeringsontwerp had de heer Eochussen een nieuw opstel samengesteld: „Bepalingen, waarbij over de medewerking van den Staat wordt beschikt, blijven ten aanzien dier medewerking zonder gevolg, zoolang dezelve niet door Ons zijn goedgekeurd."

De minister van Justitie, herhaaldelijk naar de beteekenis der derde zinsnede gevraagd, had zich bij zijn antwoord tot eenige algemeeue phrasen bepaald: de omschrijving ia eenigszins andere woorden van hetgeen reeds in het artikel te lezen stond. Welke waren, had men gevraagd, die bepalingen, welke de medewerking van het staatsgezag vereischten? Doch daarop was geen direkt antwoord gekregen. Het zou kunnen voorkomen, zei de minister, dat een verordening van een kerkgenootschap b.v. bepaalde „dat de burgemeester van de plaats, of de politie of de gewapende macht tot het een of ander zoude medewerken". Indien nu die bepaling niet door den Koning was goedgekeurd, zoude die medewerking niet mogen verleend worden. Het artikel bepaalde eenvoudig, dat indien in een reglement een voorschrift wierd gevonden, dat niet ten uitvoer kon worden gelegd, tenzij een gedeelte van het gezag daartoe medewerkte, dat dan dat gezag die medewerking niet zou kunnen verleenen, tenzij de bepaling door den Koning was goedgekeurd. Ten slotte had de minister een voorbeeld gegeven: „de vrijstelling voor do militie van hen die tot leeraars worden opgeleid. Het kerkgenootschap kan bepalingen maken omtrent de inrichting van het onderwijs, omtrent de opleiding; het kan natuurlijk sommigen aannemen, anderen, die aangenomen zijn, weer terugzenden, maar de bepalingen zelve die het daaromtrent zoude maken, kunnen van dien aard zijn, dat de medewerking van het gezag noodig is ter uitvoering. Ik kan niet denken dat een groot kerkgenootschap en zelfs een kleiner geen behoefte zou hebben, nu en dan, tot de medewerking van het gezag." Dat deze uiteenzetting hun, die omtrent de beteekenis van het voorschrift in het duister rondtastten, de zaak niet opgehelderd had, spreekt van zelf.

Sluiten