Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft de voorschriften, door kerkgenootschappen omtrent het onderwijs te maken, vergeleken met de wettelijke bepalingen over de militie. Maar hoe nu hierbij de derde alinea van art. 1 te pas zou kunnen komen, dit heeft de Minister mij niet verduidelijkt.

Bij de verdediging van deze derde paragraaf heeft de Minister gezegd: „het voorschrift is noodig, vooreerst, 0111 onschadelijk te maken die bepalingen van een kerkgenootschap, welke niet zonder medewerking van het Staatsgezag kunnen worden uitgevoerd." Die bepalingen zijn echter van zelve onschadelijk, zoolang de medewerking niet wordt verleend. Om ze onschadelijk te maken is eene wet niet noodig; want, gelijk de Minister zelf bij den aanvang zijner toelichting van dit gedeelte van het wetsontwerp heeft gezegd: het spreekt van zelf, dat daar, waaide medewerking alleen de voorwaarde is der uitvoering van zoodanige bepaling, de bepaling zonder die medewerking niet zal kunnen werken. Mij dunkt, het is dus niet noodig, zoodanig voorschrift in de wet te stellen, 0111 eene bepaling, die zonder medewerking niet kan worden uitgevoerd, onschadelijk te maken; zij is dit reeds door eenvoudige onthouding van het Staatsgezag.

Staatsgezag is eene algenieene, onbepaalde uitdrukking. Wat is Staatsgezag hier? Is er de rechterlijke macht in begrepen?

De Minister heeft in de tweede plaats gezegd: ,,bij de 3de alinea van art, 1 wordt aan alle onderdeelen van liet Staatsgezag een last gegeven." \\ aartoe? — om niet mede te werken tot de uitvoering van eene kerkelijke bepaling, dan nadat die door het Hoofd van den Staat zal zijn goedgekeurd. Ik dacht, Mijne Heeren, dat wij daartoe eene wettelijke bepaling niet behoefden; ik dacht, dat de ondergeschikte autoriteiten zich richtten naar de i'egels, haar voorgeschreven, en in die regels kan niet staan, tot dusverre ten minste niet, dat zij ook de bepalingen van een kerkgezag hebben uit te voeren.

In dit opzicht dus gaat de voorzichtigheid van liet Gouvernement, zoo mij voorkomt, te ver. Indien dit noodig is, dan zou het ook noodig zijn, bij de wet te verhoeden, dat door ondergeschikte autoriteiten uitvoering wierd gegeven aan bepalingen, die andere vereenigingen of genootschappen goedvinden te stellen.

Bij de beoordeeling van de derde alinea van art. 1 scheen het mij steeds de hoofdvraag: wie of wat beslist of de medewerking wordt vereischt? \Y ie of wat beslist, — welk kenmerk of welk persoon? En ook 0111 daarover inlichtingen te erlangen, wenschte ik dat de Minister van Justitie voorbeelden had bijgebracht, waaruit een besluit ten aanzien van den algemeenen aard der bepalingen, die medewerking vereischen, kon worden afgeleid. Tot hiertoe ben ik te dezen aanzien even ver als voorheen; ik kan de noodzakelijkheid, het nut der bepaling hoegenaamd niet inzien. Ik kan er wel het schadelijke van inzien, zoo zij een of ander kerkgenootschap mocht uitlokken, om de Staatsmacht te hulp te

Sluiten