Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de wet van Germinal door liet concordaat van 1827 bij ons zou zijn ingevoerd, hetgeen de Minister heeft beweerd, is niet alleen strijdig niet het beweren, dat de wet van Germinal jaren te voren bij ons bestond, maar gewis met den geest dier conventie van 1827 zelve in strijd. l)e Paus had ten tijde van Napoleon, tegen de articles organiques geprotesteerd, en hij zou nu, door het sluiten van het concordaat van 1827, onwetend aanleiding gegeven hebben om die artikelen bij ons van kracht te doen zijn!

De Minister heeft in de laatste plaats gemeend, zich te mogen beroepen op de verdediging, die hij de edelmoedigheid zou hebben gehad te voeren tegenover liet Roonische Hof voor het vorige Ministerie. Het \oiige Ministerie had zelf uitdrukkelijk gesproken van gehoorzaamheid aan de wet, en dehalve eene reserve gemaakt; gehoorzaamheid aan welke wet? Niet aan eene wet als die ons thans is voorgelegd. Hetgeen overtreding zou kunnen worden zoo dit voorstel wet wierd, was geene overtreding van eenige wet tot dus ver. Tot dus ver was men volkomen vrij was Rome volkomen vrij om bisschoppelijke zetels te stellen, waar het dit in het belang van het Katholieke kerkgenootschap alhier wenschelijk achtte; maar nu zou die regeling, voltooid zonder dat eenige wet werd overtreden, ten gevolge van de thans voorgestelde wet ophouden te gelden. Dit schijnt mij, na hetgeen de Paus in het vertrouwen op de door de opheffing van liet concordaat verkregene grondwettige vrijheid heeft gedaan, het verwijt, de beschuldiging, van kwaden trouw niet te kunnen ontgaan.

De minister hield staande, dat nota's niet met een traktaat gelijk mochten worden gesteld, en „hij, die eenmaal beweerde, dat een traktaat zelfs niet verbindende is zonder ratificatie ', vervolgde de minister, „hij moet waarlijk geen meerdere kracht aan nota's toekennen, dan "hij eenmaal aan een traktaat toeschreef". De heer T. kreeg het woord voor een persoonlijk feit.

De Minister van Buitenlandsche Zaken had reeds bij zijne eerste rede iets van dien aard te kennen gegeven, maar ik ben dit met stilzwijgen voorbijgegaan, gelijk ik in den regel gaarne voorbijga wat eene persoonlijke strekking schijnt te hebben. Nu die Minister ten tweeden male daarop is teruggekomen moet ik zeggen, dat hij zicli bedriegt. De Minister schijnt, in het Journul de la Huyc opstellen te hebben gelezen over de verbindende kracht van een traktaat tussclien Luxemburg en Piuisen, zoo ik mij wel herinner, gesloten; opstellen, die hij mij ten onrechte toeschrijft. Hetgeen gebeurd is, is dit; het traktaat was geteekend, en nu meende Koning Willem II met sommige bepalingen ontevreden te moeten zijn. De Koning deed mij de eer mij te laten roepen en mijn advies te vragen, of het traktaat, geteekend, evenwel in zijne werking, door het achterblijven der ratificatie, zou kunnen worden gestuit? Mijn antwoord is gevVeest mondeling, en in eene schrif-

Sluiten