Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouw is, dan hetgeen in hunnen vorm past. Indien ik mij voorstel, dat men hetgeen aan den spreker uit de residentie voorzweeft als de uitkomst van de gebeurtenissen der laatste jaren in Frankrijk zou willen bereiken langs een anderen weg, dan op welken men daartoe in Frankrijk is gekomen, dan dunkt mij zou de weg, die nu door de beide sprekers wordt betreden, bij behoud der benaming van een constitutioneelen regeeringsvorm bijzondere aanbeveling vedienen.

Het voorstel heeft „eene politieke strekking" het heeft (men heeft het niet zoo uitdrukkelijk gezegd, maar het lag in de gebezigde woorden) eene vijandige strekking tegen het tegenwoordige Ministerie. Indien al wat men anders wil dan hetgeen het Ministerie doet of verlangt, vijandigheid is, ja, Mijne Heeren, dan zal dit voorstel vijandig moeten worden genoemd. Maar dan zal iedere stem die uitgebracht wordt tegen een regeeringsvoorstel, dan zal elk voorstel, van deze Kamer afkomstig, vijandig moeten heeten. En wat hebben wij voorgesteld? Hebben wij iets voorgesteld, dat aan de antecedenten van de leden der tegenwoordige Regeering zoo bijzonder vreemd is? Mijne Heeren, ik behoef slechts het voorstel te herinneren, dat gedaan werd in 1847, met het uitgedrukte doel hetwelk men nu, ter gelegenheid van ons voorstel, zoo zeer schijnt te veroordeelen, om de lasten der zoogenaamde mindere volksklassen te verlichten. Ik behoef slechts de veelbelovende rede te herinneren, waarmede de voorzitter van een vorig Ministerie, in de laatste dagen zeer betrokken in de beraadslaging die ons toen heeft bezig gehouden, hier voor het eerst aan het hoofd van dat Kabinet deze Kamer heeft betreden, eene toezegging om de belastingen op het gemaal en geslacht zoo niet af te schaffen, dan toch zoo te matigen en te wijzigen, dat haar druk op de meer gegoede standen wierd overgebracht. Ik geloof niet dat het Ministerie zelf die voordrachten of voordragende personen van 1847 en 1848 zal beschuldigen van eene vijandige stemming tegen het tegenwoordige Kabinet, — of zijne tegenwoordige richting. Ik waag het * laatste woord niet zeer luid te zeggen in tegenwoordigheid van den geachten spreker uit de residentie, die ten aanzien van die richting, ja of er eene richting zij, in het onzekere schijnt te wezen.

Eene enkele opmerking nog, Mijnheer de Voorzitter, en ik besluit: eene enkele opmerking ten aanzien van sommige gezegden, die ik tot dusverre voorbijging.

De geachte spreker uit de hoofdstad, de heer van Lennep, heeft beweerd: „Men maakt zich illusien, de voorstellers zeiven maken zich wellicht illusien; maar illusien moet men zoo spoedig mogelijk tegengaan." Ik meen dat men illusien niet door het beletten van onderzoek, maar juist door het onderzoek best keert.

De geachte spreker uit de residentie heeft nu voor de tweede of derde maal tegen mij eene uitdrukking gewend, die ik bij eene vroegere gelegenheid, welke ik steeds betreur, heb gebezigd: „Niet toe te geven aan

Sluiten