Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben — zooals ik zelfs van deze Regeering had verwacht — vóór of bij het indienen der begrooting. De spreker voegt er de vraag bij, of iemand onzer individueel dit voorstel zou hebben durven doen. Ik voor mij antwoord: volgaarne; ik zou, als minister, zelfs een voorstel van ruimer omvang, niet, gelijk de spreker meent, zonder, maar met vast, beraden overleg, op mijne verantwoording hebben genomen.

Wij hebben voor het overige niet gemeend, zooals de geachte spreker het noemt, een panacee voor te stellen; wij hebben een zeer bescheiden voorstel gedaan. Wij hebben ook niet — en mocht het worden tegengesproken, dan zal het bij het volgend onderzoek kunnen blijken — de gevolgen van ons ontwerp, zoo het wordt aangenomen, overdreven. Wij hebben die gevolgen zeer gematigd, ik geloof te gematigd, voorgesteld. Wij hebben veel voor de discussie overgelaten en bij die discussie, zoo de Kamer ons de gelegenheid daartoe gunt, zullen wij aanleiding vinden. om in ontwikkeling te treden van hetgeen nu enkel met eenige trekken is aangeduid. Ik wensch die discussie ook daarom, ten einde, zoo mogelijk, den geachten spreker uit de residentie te brengen tot intrekking van eene uitdrukking, die mij — ik wil nu niet zeggen: niet parlementair — maar in zijn mond vooral zeer sterk is voorgekomen. Het is de uitdrukking, welke het voorstel onoverdacht noemt. De gedachten. die ons hebben bestuurd, zullen wij bij die nadere discussie aan de Kamer en aan den spreker ontvouwen.

De rede van den heer T. had op den heer Slees wijk Vening, die zeide, aanvankelijk voor het in overweging nemen van het ontwerp te zijn geweest, juist de omgekeerde werking gehad, als daarmede werd beoogd. Indien er althans eenige grond voor het voorstel moest bestaan, zeide hij, wilde men tot het in overweging kunnen besluiten» dan mocht hij, die daarvoor geen enkelen grond ontwaren kon, daarin niet bewilligen. Daarenboven, indien de loonen zoo laag waren, als de voorstellers van het ontwerp beweerden, dan behoorden die loonen te worden verhoogd. Daarvan zou dan echter de staat niet het minst de gevolgen ondervinden, zoodat aanmerkelijke verhooging der uitgaven voor de deur stond. Men kon dus op dit oogenblik geene belastingen prijs geven. Ook deze spr. verweet aan de voorstellers, eene zuiver politieke demonstratie te bedoelen. En hij leidde dit af, uit de omstandigheid, dat de vorige minister van binnenlandsehe zaken indertijd had goedgekeurd, dat in enkele gemeenten 25 opcenten op het personeel werden gevorderd, terwijl daar tevens een personeele omslag op de kadastrale huurwaarde der woonhuizen werd geheven. Indien die minister inderdaad oog had gehad voor de belangen van hen, die het ontwerp thans den schijn aannam voor te staan, dan had hij ook toen die beide heffingen naast elkaar, in strijd met de gemeentewet, niet mogen toestaan.

De geachte spreker, Mijnheer de Voorzitter, heeft ons in het begin van zijne rede gezegd, dat hij aanvankelijk voor het in overweging nemen

Sluiten