Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den aanleg van den ijzeren spoorweg van Arnhem tot aan de grens te voltooijen binnen de tijdruimte van drie jaren, te rekenen van de uitwisseling der bekrachtigingen van de tegenwoordige overeenkomst. Deze termijn is bepaald in de veronderstelling, dat de aanleg van den spoorweg van Oberhausen naar de grens omstreeks denzelfden tijd voltooid zal zijn."

Ziedaar de onderstelling. In die onderstelling is de bepaling gemaakt, en het is dus niets anders dan een punt van goede trouw, waarop wij bij het Pruisisch gouvernement kunnen aandringen en aangedrongen hebben. Het is juist in dat licht, dat reeds het vorige Gouvernement de zaak met den sterksten aandrang aan het Pruissische gouvernement heeft voorgesteld. Er is ten aanzien van de zaak zelve, ten aanzien van de verplichting, geen twijfel hoegenaamd. Het Pruisische gouvernement zal, meen ik, niet aarzelen, zich, des gevergd, in dien eigen zm te verklaren, maar helaas! tusschen verklaring, tusschen bedoeling en doen is soms onderscheid of eene kloof.

De heer Godefroi bleef het betreureD, dat die „bezwarende" bepaling in het traktaat was opgenomen, die het voor de pruisische regeering mogelijk maakte, de voleindiging van den weg te vertragen. Hij trok de goede trouw dier regeering in twijfel, omdat zij, tegen de bedoeling van het traktaat in, aan de maatschappij, die nu eindelijk voor den aanleg concessie had verkregen, nog tot Juni 1856 had den tijd gegeven.

Ik geloof, zonder eenigszins te overdrijven hetgeen door het vorig

Gouvernement is gedaan, wel te mogen herinneren, dat, jaren lang,

deze zaak uit het oog was verloren, of om de moeilijkheid om met het

Pruisisch gouvernement tot een eind te geraken, ontzien en ter ziide besteld.

Dt noodzakelijkheid, dat ons land in de groote beweging van ons werelddeel wierd opgenomen — die noodzakelijkheid, waarvan een vorig spreker (de heer Rochussen) heeft gewaagd, - heeft het vorig Gouverevendig gevoeld, en het van zijn plicht geacht geen middel Je„5ioe d te laten, ten einde in een zoo groot belang zonder uitstel tegemoet te komen.

Nu zegt de spreker uit de hoofdstad: deze bepaling in dit traktaat is eene onereuse bepaling. Ik zeg neen; de bepaling is niet onereus, maar de uitvoering of liever de niet-uitvoering is het. De bepaling is volkomen duidelijk. Men kon, zooals ik de eer had te zeggen, niets anders op dat tijdstip bepalen, dan hetgeen in het eerste artikel van het traktaat van Juli 1851 ten aanzien van den termijn van voltooiing van den weg is bepaald. Zoo men daarvoor, wat ons betrof, een termijn stelde van drie jaren, het was in de onderstelling, dat de aanleg van den spoorweg van de Pruisische zijde omtrent denzelfden tijd voltooid zou zijn. Het was niet alleen de bedoeling der contractanten, dat men van

Sluiten