Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste spreker van dezen morgen, de heer van Goltstein, is op onderscheidene zaken teruggekomen, die thans niet voor nadere behandelingvatbaar zijn. Ik zal niet aanroeren hetgeen hij gezegd heeft en hetgeen mij te eenen male nieuw was, hetgeen mij in hooge mate heeft verrast, dat namelijk, onze inkomsten gedurig zijn afgenomen. Ik zal het bewijs van die stelling in het vervolg van de beraadslaging afwachten.

De spreker heeft voorts eenige onderwerpen herinnerd, die onder het vorige Bewind zijn geregeld door de wet; vooreerst: er is tegemoet gekomen in de behoeften van gemeenten en men heeft daarbij miskend hetgeen door het Rijk, hetgeen door de gemeenten moest worden gedragen; — de kieswet bevat eene bepaling, in strijd met de Grondwet; volgens de kieswet is de aanslag toereikend om op de kiezerslijsten te worden gebracht, en de Grondwet vordert de betaling; — in strijd met de Grondwet worden, volgens de gemeentewet, de gemeenten bij elke beweging door de Regeering belemmerd; — de gebreken van de wet ten aanzien van het Nederlanderschap zijn algemeen erkend.

De geachte spreker is mij toegeschenen nu, hetzij bij appèl hetzij in revisie, een proces te willen winnen, hetgeen hij bij de vorige Kamer heeft verloren. De spreker gevoelt zelf, ik behoef het niet te zeggen, dat het nu de tijd niet is om die onderwerpen te discuteeren.

De rede van den geachten afgevaardigde uit Arnhem (den heer Mackay) is mij voorgekomen in het algemeen te zijn eene oratio pro domo, waarbij ik alleen betreur dat zij voor mij niet duidelijker geweest is met betrekking tot hetgeen de geachte spreker verlangt, — verlangd heeft van het vorig Bewind, verlangt voor de toekomst. Deze gaat mij evenzeer ter harte, al ben ik geen lid van het Bewind. Ik zal één punt tot voorbeeld nemen. De geachte spreker heeft gezegd, dat de vorige Regeering, onze natie in haar geheel, als Nederlandsche, niet als Protestantsche natie beschouwende, haar afgescheiden had van de historie. Dat verwijt is in zijne rede op meer dan ééne plaats teruggekeerd; men heeft op de historie niet gelet. Had nu de spreker duidelijk aangewezen, in welk opzicht of in welke opzichten wij eene vroegere kracht, ik zal het met een woord van den spreker noemen „eene historische kracht," die nog verdiende te leven, hadden onderdrukt, ik zou den spreker hebben verstaan, en op zijn oordeel een antwoord niet schuldig blijven, hetzij dit antwoord bestond in de erkenning dat hij gelijk had, hetzij in de verdediging van 't geen is geschied. Maar de spreker is bij het algeineene begrip van historie blijven staan. Zijne eigen historie te hebben, eene nieuwe reeks te beginnen, is, naar het ons voorkwam, de taak van dezen tijd, en die taak uit te werken de roeping van het vorige, evenals van dit Bewind. Maar wilde daarom het vorige Bewind al wat vooraf is gegaan afbreken? Neen! Het wilde integendeel elke levenskracht in stand houden.

Van de rede van den spreker uit de residentie (den heer Groen van

Sluiten