Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenlandsche Zaken, gelijk door den vorigen Minister van Roomsch-katliolieken Eeredienst, en hij zelf zal het ons, denk ik, best zeggen, beschouwd is als een partikulier gesprek, waarna zij altijd wachtende bleven op die wezenlijke, schriftelijke niededeeling. als aanleiding kon geven om de zaak in den Ministerraad te brengen en een Gouvernementsadvies te formeeren.

De Minister heeft ook den vorigen Minister van Binnenlandsche Zaken in deze zaak betrokken. Hij had te Rome een brief van den Internuntius van 3 Mei 1853 gezien, waarin deze, meldende dat de niededeeling aan de andere Ministers was geschied, er bijvoegde, dat hij door een achtbaar persoon aan den Minister van Binnenlandsche Zaken gelijke mededeeling had laten doen. De Minister erkent, dat zoodanige mededeeling, voor zoover zij gedaan is, zeer indirekt was. Er is niet de minste bedenking, om hetgeen ik weet van deze zaak. in alle deelen aan de Kamer voor te leggen, schoon ik het, vooral na hetgeen de vorige spreker heeft gezegd, weinig betamelijk acht, met iets, wat niet meer is dan een partikulier gesprek over een gerucht, de Kamer bezig te houden. Nu evenwel, nu men er van gewaagd heeft, meen ik bevoegd te zijn, daarvan aan mijne zijde te gewagen, en nu verheug ik mij deze gelegenheid te hebben, dat ecnige, wat met mij kan zijn gebeurd, in het licht te stellen zooals het is geschied.

Een Fransch blad, V Indépendance, verraste mij met de pauselijke allocutie, en toen ik begon te lezen — ik verklaar dat — toen wist ik niet of wij zouden hebben 3, 5, 7, meer of minder bisschoppen in ons land. Het eenige wat mij voor was gekomen bestond in een mededeeling van den Minister van Buitenlandsche Zaken en van Katholieken Eeredienst ten aanzien van een pauselijk voornemen om een aartsbisdom te Utrecht te vestigen, toevallig door onzen gezant te Rome vernomen en aan den Minister van Buitenlandsche Zaken bericht; een bericht, dat toen tot een w ederschrijven van dien Minister, om tegen zoodanige keus te waarschuwen, aanleiding heeft gegeven. De Fransche courant, zeide ik, deed mij de pauselijke allocutie en regeling voor het eerst kennen, en dat stuk, ik moet het erkennen, trof mij diep. Een paar dagen later ontmoette ik onderweg het hooggeachte lid. dat zooeven vóór mij gesproken heeft. Ik deelde hem mijn indruk mede, en dat ik eene groote opwekking van gevoeligheid voorzag. Ik uitte mijne bevreemding, dat de Paus noch van het een noch van het andere de Regeering vooraf kennis had doen dragen; ik zeide, dat het Gouvernement, in het belang der verdraagzaamheid, in het belang der vestiging van de bisschoppelijke hiërarchie zelve, tegen dergelijken vorm zou hebben geadviseerd. Mij werd geantwoord hetgeen ik zooeven opgaf als de vermoedelijke reden waarom de internuntius wellicht zoodanige niededeeling, als wij verwachtten, heeft gemijd; wellicht had men zich van mededeeling onthouden, om geen ad\ies te ontvangen dat men te Rome niet meende te moeten na-

Sluiten