Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herziening dier wetgeving niet te denken valt, alvorens de ondervinding uitspraak zal hebben gedaan. Eene verklaring, die men van het vorige Gouvernement evenzeer had kunnen erlangen, en, zoo ik geloof, heeft erlangd.

De wijze van toepassing van de herziene Grondwet in het algemeen. De vraag is geopperd door deze Regeering: heeft het vorig Gouvernement de herziene Grondwet wel uitgevoerd, wel toegepast in den zin, waarin die Grondwet is aangenomen? Dit kan tweeërlei beteekenen. Beteekent dit: heeft het vorig Gouvernement de Grondwet uitgevoerd in den zin der Grondwet? Die vraag staat altijd open en blijft aan discussie onderworpen. Maar het kan ook beteekenen: een teruggaan tot een zin van Kamers, die eigenlijk eene zoo ruime herziening, als wij i.n 1848 hebben verkregen, niet begeerden. En mocht er die beteekenis aan moeten worden gehecht, dan opent men den weg oni tot voorbij de Grondwet van 1848 terug te gaan; en op dien weg zou men ons tot een krachtig verzet bereid vinden. Maar zoo ver zi jn wij niet.

Een laatste punt: onze Grondwet moet ,,in monarchalen zin" worden opgevat en toegepast. Beteekent dat iets tegen het vorig Gouvernement, dan moet de vraag worden beantwoord: waar is het vorig Gouvernement hierin te kort geschoten? In hoeverre was de uitvoering die het vorig Gouvernement aan de Grondwet gaf, minder monarchaal, dan de Grondwet verlangt? Ik weet. Mijnheer de Voorzitter, men heeft daaraan vastgeknoopt een uitleg van de ministerieele verantwoordelijkheid, die van de onze afweek. Men scheen bij dien uitleg den persoon des Konings van de Ministers af te zonderen en weder op den parlementairen voorgrond te willen brengen. Naar onze meening is de Koning het Hoofd der Regeering, en is er éénheid van Koning en Ministers, een ondeelbaar geheel van regeering. hetwelk men niet alleen niet zonder de hoogste onbescheidenheid maar ook niet zonder overtreding der constitutioneele instellingen kan ontleden. Hoeveel aandeel persoonlijke wil des Konings, hoeveel aandeel de invloed van den ministerieelen raad aan eene regeeringsdaad hebbe, dit is een geheim van regeering en moet het blijven. Bestaat er nu ten dezen aanzien eene andere, eene tegenovergestelde richting? Moet wellicht, volgens dit Ministerie, niet zoo zeer de Minister den Koning als de Koning hier de Ministers dekken? Ik kan het nauwelijks gelooven; ik wil het afwachten.

Het is mij, Mijnbeer de Voorzitter, thans niet te doen om eene volledige opsomming der punten van verschil, die tusschen dit Gouvernement en het vorige kunnen bestaan. Er kunnen er meer zijn, bij voorbeeld eene nauwere verstandhouding, die, ik moet het erkennen, onder het vorig Gouvernement niet de innigste was, met de partij, die zich nu met den naam van Christelijk-historisclie partij versiert.

Maar welke ook en hoe vele die punten van verschil mogen zijn, ik vraag, wat heeft dit met ons voorstel te doen?

Sluiten