Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selen, wanneer de Minister de voordracht van den spreker tot grondslag nam, te berekenen. Ik zal dus zonder te oordeelen over hetgeen de redenaar wellicht verlangt en hetgeen mij duister is, mijne meening verklaren.

Ons belastingstelsel strookt niet met den tegenwoordigen toestand der maatschappij. Ik zal deze stelling eerst in het algemeen toelichten, en daarna eenige bijzondere punten aanwijzen, waarop, zoo het mij voorkomt, de hervorming moet worden gericht.

Naar mijn inzien. Mijnheer de Voorzittter, behoort een goed belastingstelsel tot de zeer veranderlijke dingen; er is geen algemeen juist systeem van belasting, dat overal en altoos toepasselijk ware; en ziedaar de fout, waarin de geachte spreker uit Utrecht (de heer van Goltstein), bij de discussie over de wet van de middelen, met onderscheidene oudere schrijvers is vervallen, d>at hij dei mogelijkheid vain zoodanig systeem aanneemt. Er zijn slechts eenige algemeene grondstellingen, doch waarmede men op het gebied der wetgeving niet ver komt.

Elk eens ingevoerd belastingstelsel moet de beweging der maatschappij volgen. Een oud belastingstelsel deugt niet meer.

Onis stelsel, zoo het al vóór een derde eener eeuw ,.naar een wijs plan", — dat is de meening van den geachten spreker uit Alkmaar (den heer IJochussen), — mocht zijn, is thans in vele deelen verouderd."

Ik geloof dat ik, zonder iemand te kwetsen, zonder eenige onbillijkheid, kan beweren, dat geldmaken het hoofddoel was, en dat men in de physiologische werking der belastingen op het lichaam en leven der maatschappij weinig doordrong. Ik zou daarvan geen verwijt aan iemand willen maken. Men mag niet vergeten, dat de omstandigheden belemmerden; dat onze hoofden van finantiën het merk en juk van die omstandigheden droegen; dat zij veelal meer Ministers van de schatkist dan van het belastingwezen moesten zijn; dat zij zich maar al te dikwijls moesten vergenoegen te zien wat, niet hoe er opgebracht werd.

Het schijnt mij dus zeer verklaarbaar, dat bij onze tegenwoordige inlichting, noch de gesteldheid des volks of der schatplichtige deelen van het nationaal vermogen, noch het wezenlijk voordeel van de schatkist met juistheid is gewaardeerd.

Men kan zich een toestand der maatschappij voorstellen, waarin voorwerpen van algemeene behoefte en verbruik zeer wel, zonder te groot nadeel voor het algemeen belang, voor hen die getroffen worden, voor de opbrengst, die de schatkist vraagt, kunnen worden belast. Zoodanige toestand zal wellicht aanwezig zijn bij eene klimmende vraag naar werklieden, bij een toenemend welzijn van de arbeidende klasse; maar is die toestand de onze? Het is, meen ik, een wis teeken van achteruitgang dier groote klasse, zoo men, bij toenemende bevolking, minder verbruik der meest noodzakelijke levensmiddelen opmerkt.

Hoe is het daarmede bij ons gelegen? De Vergadering zal nog vele

Sluiten