Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat de minister van justitie verklaard had de amendementen niet te kunnen aanvaarden:

Mijnheer de Voorzitter, ik zal van het verlof, dat de Kamer mij schenkt geen gebruik maken om te antwoorden op hetgeen de Minister van Justitie en hetgeen de afgevaardigde uit Deventer (de heer Storm van s Gravesande), die het voor den Minister van Oorlog tegen mij heeft opgenomen, uit misverstand tegen mij hebben ingebracht. Het is mijne meening niet geweest te zeggen, dat alle bepalingen, die in een algemeenen maatregel van bestuur konden worden opgenomen, hare plaats konden vinden in de wet. Het is mijne meening geenszins geweest aan den Minister van Oorlog, die naar eene wet vroeg, als voorbeeld daarvan dat van Engeland tegen te werpen, waar verplichte inkwartiering in het geheel niet bestaat. Ik wensch enkel te verklaren hetgeen ik denk te doen in verband met hetgeen ik een uur geleden de eer had voor te dragen. Toen heb ik gezegd dat, zoo de Regeering kon treden in eene overweging der voorgestelde amendementen, het mij, vooral met betrekking tot het laatste amendement, dat het verst grijpt, het amendement van den heer de Brauw. doelmatiger voorkwam eene motie van orde voor te stellen ten einde een nader onderzoek over dit amendement op zich zelf in zijn verband met de onderscheidene deelen van het ontwerp uit te lokken. Het scheen mij niet mogelijk, zoodanig amendement, dat het gebied van het ontwerp der Regeering zoo verre uitbreidt, te beoordeelen in den loop der discussie. Wanneer nu dat amendement in stemming wordt gebracht, zal ik het evenwel aannemen zonder die motie van orde te doen. Ik zal die motie niet doen, omdat de Minister van Justitie verklaard heeft, dat de Regeering zich niet met het amendement kan vereenigen en een onderzoek in de sectiën dus overbodig zou kunnen worden geacht. Ik zal het. amendement, wanneer het in stemming wordt gebracht, aannemen, zonder dat ik mij daardoor gebonden achte het wets-ontwerp goed te keuren; het wetsontwerp zou mij zeer wel verwerpelijk kunnen voorkomen, al wierd dit amendement daarin opgenomen; maar ik zal het amendement aannemen, vooreerst omdat het mij toeschijnt eene verbetering te zijn van het ontwerp, en in de tweede plaats en vooral, om van mijne zijde de Regeering niet onkundig te laten van de richting, die ik verlang bij de omwerking van het ontwerp te zien betrachten. Ik zal mij gedragen naar hetgeen de Regeering heeft gezegd in hare Memorie van Beantwoording van den 7den April 1853:

,.Daarom acht de Regeering eene discussie of ten minste een besluit der Kamer wenschelijk. Mogt alsdan art. 1 van het ontwerp, waarin het stelsel al dadelijk op den voorgrond treedt, den bijval der meerderheid niet erlangen, dan zal de Regeering met 's Konings magtiging, het ontwerp intrekken en trachten een ander te vervaardigen meer

Sluiten