Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De spreker uit Utrecht heeft mij verweten hetgeen hij opgemaakt heeft uit hetgeen de Minister heeft medegedeeld, dat de taal, die ik als Minister had gevoerd, niet overeenkwam met de taal die ik voer als afgevaardigde. Ik bekreun mij niet zeer om zoodanig verwijt; in zooverre namelijk de taal, die ik later voerde, op andere, op betere gronden eene andere overtuiging mocht uitdrukken dan degene die ik als Minister had. Slechts dan zou ik er mij om bekreunen, wanneer men mij met recht kon betichten, dat mijne handelingen niet overeenstemden met mijne verklaringen, en dit zou kunnen blijken uit hetgeen de Minister heeft aangevoerd.

Ik wenschte. Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister meer omstandig, meer uitvoerig het geval hadde omschreven, wellicht ware er mij iets van te binnen gekomen; maar ik moet nu zeggen, na hetgeen de Minister van die resolutie van 1851 heeft voorgelezen, dat het geval de zaak die wij thans behandelen, in geenen deele deert. Het schijnt een antwoord geweest te zijn op de vraag van een individu, die, wellicht met beroep op de provinciale wet of op de Grondwet, vernietiging vroeg van een besluit van Gedeputeerde Staten; maar het gold toen geenszins datgene wat, volgens mij, naar de wet van 1806 in de bevoegdheid van den Koning ligt. Volgens mijne meening brengt de wet van 1806 mede, dat, zoo de eischen van de wet door Gedeputeerde Staten of gemeentebesturen zijn verzaakt de Koning dat kunne herstellen. Daarom heeft ook, zoo mij voorkomt, de Minister in de vorige vergadering het punt verkeerdelijk zoo voorgesteld, alsof van vernietiging hunner besluiten sprake ware. Het komt er op aan te doen wat nagelaten is, te herdoen wat misdaan is door Gedeputeerde Staten of gemeentebesturen. Dit is de bevoegdheid, die volgens de wet van 1806, mijns inziens, aan den Raadspensionaris, nu aan den Koning toekomt. Indien nu hetgeen de Minister heeft voorgelezen een antwoord is aan iemand, die gevraagd heeft vernietiging van het besluit van Gedeputeerde Staten, kan dat antwoord zeer te recht zijn gegeven, en zou ik het ook thans, zoo gelijke vraag gedaan werd, zonder strijd met de circulaire, zonder strijd met hetgeen ik dezen morgen, beweerde, onderteekenen. Hetgeen ik bedoelde in de circulaire, hetgeen ik dezen morgen en bij vorige gelegenheden heb betoogd, zag op de organisatie van het beroep aan den Koning. Zoodanige organisatie moest plaats vinden bij een algenieenen maatregel, waarbij men op onderscheidene besluiten tot uitvoering, misschien tot rectificatie van de wret van 1806 genomen, terugkwam; en zoolang die maatregel niet was tot stand gebracht, moest het tot dusver gevolgde stelsel gelden.

Het is daarenboven geheel iets anders, in een bijzonder geval te verklaren, dat er geene termen zijn tot vernietiging, iets anders de Koninklijke bevoegdheid tot beslissing in appel over het algemeen te ontkennen.

Sluiten