Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen over het algemeen geen onderscheid gevonden — ,,het armbestuur zal geregeld worden door de wet." Hoe is die bepaling in de Grondwet van 1848 gekomen? Enkel om eigendunkelijke handelingen van het Algemeen Bestuur te weren? Neen. zij is gesproten uit deze overweging, dat sedert lang het armwezen zich als eene algemeene aangelegenheid van hoog publiek belang aan ieder nadenkende had opgedrongen.

Voorts doe ik deze eenvoudige vraag: wanneer het armbestuur aan de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid wordt overgelaten en deze zonder wettelijke regeling en toezicht worden gelaten, is dat iets anders dan art. 195 der Grondwet omkeeren? En waar blijft dan de aanhoudende zorg der Regeering?

De twee andere bedenkingen tegen het ontwerp zal ik meer aanstippen, dan ontwikkelen.

2o. Het ontwerp verzaakt den plicht van den wetgever om een werkzaam toezicht over de verschillende organen der armenzorg te vestigen; een toezicht, dat hunne harmonie en samenwerking, met eerbiediging van elks behoorlijke vrijheid, — geen centralisatie — moet bevorderen.

Zoozeer als iemand, Mijne Heeren., ben ik voorstander van kerkelijke vrijheid. Ik heb dit getoond bij de beraadslaging over de wet op de kerkgenootschappen tegen hen, die ik thans bestrijd. Maar kerkelijke vereenigingen kunnen, waai' ze met een algemeen staatsbelang in aanraking komen,, even zoo min als andere vereenigingen, boven de regels zijn die de Staat voor dat belang heeft te stellen. Mij dunkt geene vergelijking met maatschappijen tot bevordering van wetenschap of kunst kan hier te pas komen. Waarmede hebben wij te doen, Mijnheer de Voorzitter? Met handelingen v.an kerkelijke of andere partikuliere instellingen, die door blijvende armenverzorging eene materieele werking naar buiten of op den stoffelijken toestand der staatsmaatschappij invloed hebben; die handelingen zijn gewis aan de wet onderworpen.

Al was er geen burgerlijke armenverzorging, dan bleef het evenwel de taak van den Staat, die hij alleen kan vervullen, door een welgeregeld toezicht en door overeenstemming en verband tusschen de bijzondere instellingen en hare uiteenloopende pogingen aan te kweeken.

Nu burgerlijke armenverzorging subsidiair behouden wordt, is dit, bij hare betrekking tot de kerkelijke en andere bijzondere instellingen, dubbel noodzakelijk.

Wat zal nu het gevolg zijn? Dat de Staat, bij het bestaan van burgerlijke armbesturen, en geheele loslating van regels voor de andere, met den last der armenverzorging, naar kerkelijke willekeur, zal worden overladen.

Het eenige wat het ontwerp van de kerkelijke en bijzondere instel-

Sluiten