Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o. Ik kom eindelijk tot den spreker uit Zutfen, den heer van der Brugghen, die inderdaad niet noodig lieeft mij eene uitnoodiging te doen, als waarmede hij zijne rede op de meest heus^he wijze is begonnen, om mij te bewegen hem gaarne hier en elders te ontmoeten. Ik zal hiervan thans een blijk geven door de verklaring, dat ik hetgeen hij nu heeft gezegd, aanneem ate uitleg der woorden, door hem gisteren in het midden gebracht. Hetgeen de geachte spreker gisteren zeide scheen mij dezen zin te hebben: de wet van 10 Septembei 1853 was eene demonstratie, toen noodzakelijk, maar waarvan de noodzakelijkheid nu heeft opgehouden; eene demonstratie, die niet behoeft na te werken en die wij in allen geval niet tegen ons wenschen te zien gekeerd. Thans zegt de spreker dat die wet van 10 September 1853 nog noodig is; zoo zal het dan wel aan mij liggen, dat ik hem gisteren niet juist verstond, en in dat geval vraag ik hem gaarne verschooning.

Het amendement werd met 52 tegen 13 stemmen verworpen, waarna het artikel met 35 tegen 30 stemmen werd goedgekeurd.

Artikel 8. „Alle niet door het Staats- of provinciaal gezag opgerigte gods- en werkhuizen, die behooren tot de instellingen, vermeld onder litt. a en d van urt, 2, zijn, onverminderd het toezigt dat daarop, in verband met hunnen oorsprong, stichtingsbrief of andere verordeningen door anderen moet worden uitgeoefend, onderworpen aan het toezigt

van het gemeentebestuur.

„Vau Onzentwege kan, zoo dikwerf Wij dit noodig oordeelen, door een plaatselijk onderzoek in die en in provinciale gods- en werkhuizen worden nagegaan, of zij aan hunne bestemming blijven beantwoorden.

Ik wil dit artikel niet uitvoerig behandelen. Ik beschouw het als een deel van het algemeene concessiestelsel, dat mij voorkomt het karakter dezer wet te zijn, maar ik mag mij niet onthouden te verklaren, dat deze concessie naar mijn gevoelen grenzenloos is en minder dan eenige andere te verantwoorden, bij de misbruiken, die door de besturen dezer godshuizen kunnen worden verpleegd, en, blijkens de ondervinding.

zoo dikwijls gepleegd zijn.

Die godshuizen, voor zooveel zij kerkelijke en andere bijzondere gestichten zijn, te laten buiten alle publieke controle, inzage of toezicht, dat de gemeentewet in artt. 146 en 179 litt. f en u reeds had voorbereid; dit schijnt mij — welke concessiën men zich ook verplicht rekende

te doen — alLe maat te buiten gaan.

Het geldt hier niet alleen het belang van degenen, die in die godshuizen worden verpleegd, niet alleen de trouwe nakoming van den wil der stichters, maar het geldt hier een toezicht op het beheer van een personeel, welks keuze men geheel niet in zijne macht heeft, en ik behoef der Vergadering niet te herinneren hoe het personeel dier bestuien zoo

Sluiten