Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

botsing met groot genoegen ontwaard en zal mij verblijden, zoo de accijnsen in dien strijd de nederlaag hebben.

De geachte sprekar uit Steenwijk, de heer van, Lennep, vergeve het mij, indien ik mij, noch door hem, noch door de zoogenaamde „onschendbaarheid" onzer wetten laat weerhouden1), het gemaal de meest impopulaire, drukkende, schadelijke, ja verderfelijke onzer belastingen te noemen; schadelijk voor de volksvoeding niet alleen, maar schadelijk voor de nijverheid.

Dat geachte lid heeft wel niet de algemeene populariteit dier belasting beweerd, maar toch hare impopulariteit, tot een zeer gering gedeelte van onze bevolking beperkt. Het kan zijn dat die impopulariteit bij een kleiner of grooter deel van onze bevolking ook al het gevolg is van „gebrek aan opvoeding en. onderwijs," maar de spreker zal, vrees ik, veel te doen hebben om de ontwikkeling van het onderwijs buiten Amsterdam zoover te brengen dat de impopulariteit dier belasting geheel verdwijne.

De geachte spreker heeft gisteren, naar mij voorkwam, een nauwen kring getrokkeni om hen, die buiten de vergadering tot de Vergadering spreken. Hij trekt nu een zeer engen kring om ons. Wat toch heeft hij gezegd? Hij waarschuwde tegen het „drukken", binnen deze muren, „op de willekeur van ondergeschikte ambtenaren." Mijnheer de Voorzitter, zoo er eenige taak is, die hier behoort te worden voorgestaan, dan is het mijns inziens de bescherming der ingezetenen tegen willekeur der ambtenaren. „Men hebbe," zegt de spreker uit Steenwijk, „den moed, zich niet tot de ondergeschikte ambtenaren te bepalen." Men heeft, Mijnheer de Voorzitter, sedert eenigen tijd in deze Vergadering stellingen omtrent de ministerieele verantwoordelijkheid verkondigd, die mij vreemd zijn voorgekomen, die, zoo niet tot uitwissching van het in de Grondwet geschreven woord, toch tot verzwakking van de werking daarvan schenen te leiden. Ik geloof evenwel, dat, zoo het er op aankwam, het niemand in deze Vergadering aan moed zou ontbreken om de ingezetenen zelfs tegen ministerieele willekeur te beschermen. „Wij wetgevers, zegt de geachte spreker, moeten de uitvoerders van de wetten, dLa wij maken, beschermen." Ik geloof niet, Mijnheer de Voorzitter, dat dit onze roeping is. Wij hebben de nitvoering, niet de uitvoerders te beschermen; het beschermen van dezen kunnen wij aan anderen overlaten.

De spreker uit Steenwijk heeft afgewezen hetgeen hem is tegengeworpen door een lid uit Noordbrabant (den heer Luijben,) d!ie Alba's wetgeving aanhaalde.,Alba, zegt de spreker, heeft niet met Staten-Generaal, heeft niet met twee Kamers zijne belastingen ingevoerd. Het zou wel eens kunnen gebeuren, Mijnheer de Voorzitter, dat de geeerde

') Vergel. hiervóór, blz. 461.

Sluiten