Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder omstandigheden, welke er al de nadeelen van konden aan den dag brengien, dan heeft dat voorbeeld, dunkt mij, voor ons geene bijzonder afschrikkende kracht.

Ik verlang, Mijnheer de Voorzitter, eene strenge wet tegen misbruiken door de drukpers in Indie gepleegd. Doch zij, die het voorgestelde artikel in bescherming nemen, omdat zij de drukpersvrijheid gevaarlijk achten, kunnen, zoo mij toeschijnt, de invoering van gedrukte stukken evenmin toelaten. Zoo men nu de drukpers in Indie beperkt en daarentegen de invoering van elders gedrukte stukken gedoogt, wat zal het gevolg wezen? Dat men, hetgeen niet binnen ons gebied kan gebeuren, zal laten tn zien gebeuren daarbuiten. De buitenlandsche drukpers zal zich te meer bezig houden met onze Indische zaken en de invoering van buitenlandsche stukken zal te menigvuldiger plaats vinden, hoe minder men aan de inlandsclie drukpers veroorlooft zicii over de koloniale aangelegenheden te uiten.

De heer Baud verwachtte van vrijheid vau drukpers niet veel anders dan kwade gevolgen. Ja, indien de pers „eerlijk en deugdzaam" ware, dan kon zij waarborgen geven tegen misbruiken, gelijk de voorsteller van het amendement van haar verwachtte. Doch de ondervinding leerde, dat de pers met bijoogmerken, onder den invloed van hartstocht en partijzucht, schreef. Ook de heer van Goltstein sloot zich daarbij aan. In engelsch Indie, hield hij vol, had de vrijheid van drukpers zeer ongunstig gewerkt. Het eenige gunstige resultaat, dat men daar verkregen had, was nog. dat de pers „in een staat van minachting en verachting was geraakt", zoodat niemand meer waarde hechtte aan hetgeen zij vertelde.

Ik begin met de laatste; woorden van den .Minister waardoor hij een vroeger, uiterst vreemd gezegde zelf heeft wederlegd. Vroeger, in den loop zijner rede, beklaagde hij zich over hetgeen hij „eene aantijging" van mijne zijde noemde. Waarin bestond die? Ik had gezegd, dat de Minister zich soms in deze Kamer beroepen had o^p overeenstemming met zijne ambtgenooten, hetgeen ik niet had kunnen goedkeuren. Dat, is niet gebeurd, zegt de Minister, maar nu bij het slot erkent hij zelf hetgeen ik meen gehoord te hebben, hetgeen anderen met mij moeten hebben ge'hoord, en hetgeen waarvan het bewijs in het Bijblad moet te vinden zijn.

Ik heb van mijne zijde een feit, geene aantijging bedoeld, schoon ik dat beroep op ambtgenooten niet heb kunnen goedkeuren; omdat ieder Minister, die iets voordraagt, de verantwoordelijkheid daarvan alleen op zich moet willen nemen. Ik heb er bijgevoegd, dat overeenstemming met zijne ambtgenooten ten aanzien van een o.* ander onderwerp niet die met ieder Irinner insluit, daar de meerderheid beslist.

Sluiten