Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat, geloof ik, veel nuttiger is dan alle beschrijvingen.

Wij kunnen voor ons doel de gifslangen het best verdeelen in twee groepen, nl. in de groep der colubriformes venenosae, die de slangen bevat met rechtop staande, weinig bewegelijke, gegroefde of geperforeerde giftanden vóór in de bovenkaak en ten tweede de viperiformes, waartoe behooren de gifslangen met één langen geperforeerden, erectielen giftand zonder andere tanden ter weerszijden in de zeer korte bovenkaak. Deze verdeeling is voor ons bruikbaar, omdat met haar ongeveer samenvalt een verschil in werking van het gif van deze beide groepen; verder zullen wij hier niet op ingaan. Van de colubriformes kan men twee onderafdeelingen onderscheiden, nl. één groep, waarbij de staart conisch en spits is, de zoogenaamde elapidae, en een afdeeling, waarvan de staart sterk zijdelings afgeplat is, de groep der zeeslangen, hydrophidae.

Van de elapidae is de meest bekende de naja tripudians, de brilslang uit Engelsch-Indië. Hier in onze gewesten komt deze soort waarschijnlijk niet voor; zeer algemeen is evenwel een andere soort naja, die volgens enkele zoölogen alleen een variëteit is van de Engelsch-Indische brilslang, volgens anderen een afzonderlijke soort, die dan heet .\.l,/.l .s/7 l i- naja sputatrix. Dienzelfden naam sputatrix vindt men ook in de Indische nomenclatuur terug, daar zij in het Maleisch ook oelar moenta wordt genoemd. Zij dankt dezen naam aan een eigenschap, waarvan ik U dadelijk meer zal mededeelen. Deze naja sputatrix, waarvan ik U hier enkele exemplaren, grootere en kleinere, vertoon, kan tot 3 M. lang worden. De oude exemplaren zijn donker blauwzwart en heeten naar deze kleur bij den Inlander oelar babi; de jonge daarentegen, die in den regel wat lichter zijn, worden oelar sendok genoemd. Deze naja bezit, evenals de brilslang, de eigenschap, haar hals sterk te kunnen uitzetten door het oprichten van de halsribben, waardoor dat halsgedeelte min of meer den vorm

Sluiten