Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duitsche Rijk had Bismarck, sinds de bijeenkomst van den eersten rijksdag, in hoofdzaak gesteund op de nationaal-liberale partij, die er de talrijkste groep vormde en vooral het burgerlijk element vertegenwoordigde. De maatregelen ter bevordering der eenheid, de invoering van een uniform muntstelsel op den grondslag van den gouden standaard, de stichting van de Duitsche rijksbank, de voorbereiding en gedeeltelijke voltooiing van eenheid in recht en rechtspraak, waren evenzeer in den geest dezer partij als de vrijhandelspolitiek, die in deze jaren werd voortgezet en opruimde wat er van beschermende slagboomen nog over was. De nationaal-liberalen ook waren het geweest, die in 1874, toen een botsing dreigde te ontstaan tusschen de keizerlijke regeering en den rijksdag over den tijd, waarvoor de gelden ten behoeve van het leger zouden worden toegestaan, een uitweg hadden gevonden door den bemiddelenden voorslag van een termijn van zeven jaren, het zoogenaamde septennaat. En zij vooral waren het, die met alle kracht Bismarck steunden in den steeds vinniger geworden Kulturkampf. Daarentegen was hij door deze gansche politiek in hooge mate vervreemd van den kring, waaruit hij was voortgekomen, zijne oude conservatieve vrienden, de Pruisische landjonkers, wier verbittering met het jaar toenam; ook aan het hof werd hij fel bestreden, en verborgen was het hem geenszins, dat zijn keizerlijke meester en vriend, ook al verleende deze zijne onmisbare medewerking, toch met de liberale richting van de regeering innerlijk weinig sympathie had. Hoewel Bismarck gegriefd en geprikkeld werd door de aanvallen en de tegenwerking die hij had te verduren, toch zou hij deswege het roer niet omgeworpen hebben, doch er deden zich verschijnselen voor, die hem allengs overtuigden dat hij een anderen weg moest inslaan; en eenmaal overtuigd was Bismarck niet de man om zich door theoretische beginselen te laten vasthouden. Hem was alle theorie „grau"; met spottende minachting noemde hij den grooten man der Engelsche liberalen „professor Gladstone" of erger nog: „ein Redner aber ein dummer Kerl". Eenerzijds zag hij met onrust de gestadige uitbreiding van den Kulturkampf, waarbij het centrum een weerstandsvermogen ontwikkelde, dat hij verre had onderschat; hoe moest een eind komen aan dien strijd, die hem, van stap tot stap, verder had gevoerd dan hij had voorzien? Anderzijds vroegen nieuwe problemen zijne aandacht, wier oplossing door den Kulturkampf ernstig werd belemmerd, ja waarbij hij wellicht niet zou kunnen rekenen op de medewerking der

Bismarek's binnenlandsche politiek. Nieuwe problemen.

Sluiten