Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooral in de buitenlandsche politiek van Italië deed zich deze verandering duidelijk gevoelen. Het was Crispi's stellige wil, zijn land in de Europeesche politiek op gelijken rang met de andere groote mogendheden te brengen, ten einde voor Italië ontzag en aanzien te winnen en daardoor ook de gelegenheid te scheppen voor het verwerven van voordeelen. Sinds zijne reis naar Berlijn in 1877 was er vrij wat veranderd: bondgenootschappelijke betrekkingen tusschen Italië en Oostenrijk-Hongarije waren tot stand gekomen, en hoewel zijne gezindheid jegens de Donau-monarchie eigenlijk nog dezelfde was als vroeger,

aanvaardde hij die betrekkingen als een politieke noodzakelijkheid. Zoo bleef dan alleen Frankrijk over om er forsch tegen op te treden en zoodoende aan de wereld duidelijk te maken, dat Italië een mogendheid was, waarmee rekening moest gehouden worden. Terstond sloeg hij dien weg in; zich gedekt voelend door de bondgenootschappen met Berlijn en Weenen en door de vriendschappelijke verhouding met Engeland, volgde hij van den aanvang af tegenover Frankrijk een politiek van groote zelfbewustheid. Nog onder het vorige ministerie, in 1886, was het afloopend handelsverdrag met dat rijk opgezegd; dit gaf aanleiding tot een oeconomischen strijd, die terstond met groote felheid door Crispi werd opgevat en op den duur ontzaggelijke schade berokkende aan beide partijen maar allermeest aan Italië. Doch bovendien was hij er op uit om oprijzenden kwesties tusschen Italië en Frankrijk — te Massowa, te Florence, te Tunis —

een scherpe wending te geven en dan bij bondgenooten en vrienden alarm te maken. Dat hij oorlog met Frankrijk zocht, zou misschien te veel zijn gezegd; maar de mogelijkheid van een oorlog zag hij toch zonder groote bezorgdheid onder de oogen en hij schrikte er niet voor terug, rekenend op den steun der Duitsche bajonnetten en der Britsche oorlogsschepen. Door herhaalde, kort op elkaar volgende reizen naar Friedrichsruh zocht hij niet alleen zijne volledige overeenstemming met den grooten kanselier te bevestigen maar vooral ook Europa onder den indruk dier overeenstemming te brengen, terwijl hij bovendien de innige betrekkingen met het ministerie Salisbury ijverig aankweekte. Niet te verwonderen is het, dat velen in zijne prikkelende houding jegens Frankrijk de hand van Bismarck meenden te bespeuren, te minder omdat deze zelf een soortgelijke gedragsliju volgde.

In 1888 kreeg het Duitsche Rijk tweemaal een nieuwen keizer, Troonsveranechter zonder dat hierdoor in de leiding der zaken eenige verandering D^tsLe^jk. scheen te komen. Den 9en Maart van dat jaar overleed, bijna een-en-

Sluiten