Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen met elkaar een vergelijk, dat aan het koninkrijk Croatië en Slavonië autonomie gaf, behalve dat de ban of gouverneur benoemd werd door den Koning, op voordracht van de Hongaarsche regeering; daarenboven echter bepaalde het, dat de zaken van militairen, financieelen en commercieelen aard gemeenschappelijk zouden zijn en behandeld zouden worden in het Hongaarsche parlement, waarin dan, voor die aangelegenheden, een aantal afgevaardigden uit den landdag van Croatië zouden zitting nemen, en wel 29 in de kamer van afgevaardigden, 2 in de kamer der magnaten; vijf hunner moesten deel uitmaken van de Hongaarsche Delegatie. Yan de inkomsten van Croatië bleven 45% aangewezen voor de eigen uitgaven van het land en een minimum bedrag werd hiervoor door Hongarije gewaarborgd. Tegen dit vergelijk is van den aanvang af verzet geweest van de zijde van hen, die meenden zich met niets minder tevreden te kunnen stellen dan met een zelfstandig Croatisch-Slavonisch koninkrijk, slechts door een personeele unie met de overige landen der monarchie verbonden. Deze nationale partij groeide in den loop der jaren aan en verwekte bij tijd en wijle, vooral in 1883 en 1884, ernstige moeilijkheden. Toch werden deze nimmer van dien aard, dat het staatkundig leven der Hongaarsche monarchie er door werd verstoord, en nog veel minder vermochten de andere nietHongaarsche nationaliteiten zulk een stoornis teweeg te brengen, al werd ook hun nationaal verzet geprikkeld door de maatregelen der regeering, die vooral sinds 1876 een steeds vollediger verhongaarsching nastreefde. Dank ook zij het heerschend kiesstelsel was in het parlement aan de Hongaren zulk een sterke meerderheid verzekerd, dat de andere nationaliteiten daar machteloos waren.

In de eerste jaren na het vergelijk van 1867 waren het Deak en zijne volgelingen, die in het parlement de meerderheid en dientengevolge de regeering in handen hadden. Als voornaamste tegenstanders hadden zij tegenover zich de bestrijders van het vergelijk, die louter en alleen een personeele unie wilden en geleid werden door Koloman Tisza. Die tegenstanders waren te lastiger, omdat het werk der organisatie van het koninkrijk — van leger, administratie en financiën — spoedig in gevaar kwam schipbreuk te zullen lijden op den deerlijken en snel verergerenden staat der schatkist, terwijl bovendien bij de Deakisten een gezaghebbend leider van het ministerie ontbrak, sinds Andrassy in 1871 die plaats had verlaten om Yon Beust op te volgen als minister van buitenlandsche zaken voor Oostenrijk-Hongarije.

Sluiten