Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleinere, die in vroegere eeuwen de leiding hadden gehad bij de uitbreiding van Europeesch gezag over vreemde werelddeelen, door Portugal, door Spanje, niet het minst door Nederland, dat vooral in zijne Oost-Indische bezittingen kostelijke koloniën had behouden. De laatkomers hadden dientengevolge geen ruime keuze, zij moesten zich met de restjes tevreden stellen, die voor het Duitsche Rijk weliswaar wat den omvang aangaat nog vrij ruim zijn uitgevallen, maar ten aanzien van hunne waarde waarschijnlijk wel wat te wenschen overlaten, al zal een verdere toekomst hierover eerst een beslissend oordeel kunnen uitspreken.

Doch hoe schamel ook het deel mocht zijn dat aan het Duitsche Eijk was ten deel gevallen, vergeleken bij de gebieden waarover het Britsche gezag zich in verschillende vormen uitstrekte, het feit dat ook dit rijk eene plaats onder de koloniale mogendheden was komen opeischen, was voor de Britten eene aanwijzing te meer, dat het voorbij was met de welaangename tijden, waarin het nagenoeg het monopolie van overzeesche veroveringen en van onbekommerd koloniaal bezit had.

Rusland was begonnen met hun in Azië het leven te verzuren, dan was de groote bedrijvigheid van Frankrijk in verschillende werelddeelen gevolgd, nu hadden ook anderen — en onder dezen was het Duitsche Rijk het meest beteekenend — getoond, dat zij deel wilden hebben aan het groote jachtveld, of in beter klinkende termen, dat zij, evenzeer als de Engelschen, de zegeningen der Europeesche cultuur buiten Europa wilden helpen verbreiden. Zooals reeds vroeger is opgemerkt,

hadden regeering en volk van Groot-Brittannië een sterke neiging om deze mededinging van verschillende kanten als aanslagen op de grootheid van hun rijk te beschouwen, maar toonde de regeering toch slechts bij tijd en wijle haar slecht humeur aan de Duitschers, omdat zij de Russen en de Franschen als veel gevaarlijker beschouwde en om die reden een goede verstandhouding met den driebond op prijs stelde.

Doch in de kringen van industrie en handel was de stemming wel eenigszins anders; daar begon zich reeds in deze periode een gevoel van verbittering jegens de Duitschers te openbaren, dat voortvloeide uit een opkomende vrees voor hunne mededinging in den wereldhandel.

In de iaren tusschen 1880 en 1891 had John Buil buien van groote slechte t«den J . j i in Engeland,

mismoedigheid: in zaken ging het hem niet meer zoo naar den vleeze

commissie

als hij dat gewoon geweest was. Dat het met den landbouw in Engeland van enquête.

Sluiten