Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu wenschte oprecht het kwaad te bestrijden, doch op den onwil van het Congres, waar thans de democraten de meerderheid hadden — in 1878 hadden zij die ook in den senaat gekregen —, en op de tegenwerking der beroepspolitici leed zijn pogen schipbreuk. Blijkbaar was een zeer krachtige drang der openbare meening noodig, en deze kwam, toen president Garfield in Juli 1881, enkele maanden nadat hij zijn hooge ambt als opvolger van Hayes had aanvaard, door een teleurgestelden baantjesjager werd vermoord. De republikeinen waren kortelings weer meester geworden in beide huizen, en zoo min als de democraten hadden zij lust, dien heerlijken buit der overwinnaars, het betalingsmiddel van aanhangers, uit handen te geven; maar toen bij de verkiezingen van 1882 zij in het huis van afgevaardigden weer in de minderheid geraakten en hierbij onmiskenbaar de verontwaardiging der publieke opinie in het spel was, durfden noch zij noch de democraten langer weerstand bieden. Zoo berustte dan, hoe noode ook, het Congres en bracht liet in 1883 de Pendleton-act tot stand (Pendleton was de naam van den ontwerper der wet), waarbij eene commissie voor den civielen dienst werd ingesteld, wier leden door den president werden benoemd en die tot taak kreeg, voor een aantal met name genoemde Unie-ambten het stelsel van vergelijkende examens toe te passen. Wel was dit aantal nog niet groot — slechts voor 14 000 van de ongeveer 120 000 ambten gold de wet van 1883 — maar het was toch een groote stap in een goede richting en een stap van blijvende beteekenis. Toen de verkiezingen van 1884 eindelijk, na zoo vele jaren van heerschappij der republikeinen, den candidaat der democraten, Grover Cleveland, op het Witte Huis brachten, bestond inderdaad alle reden om te verwachten, dat zijne ambtsaanvaarding, in Maart 1885, zou gepaard gaan met een wilden aanval der democraten op de Unie-ambten, die zij zoo lang hadden moeten ontberen. Die aanval werd ook werkelijk gedaan maar Cleveland wist er weerstand aan te bieden: wel had een gedeeltelijke vernieuwing van het ambtenaarspersoneel plaats, doch tot teleurstelling van velen zijner partijgenooten weigerde hij de hand te leenen tot de gebruikelijke algeheele verandering. In het vervolg droeg hij zelf, zoowel in den eersten als in den tweeden termijn dat hij het presidentschap bekleedde (1885—'89, 1893—'97), er krachtig toe bij om het aantal ambten, dat onder de Pendleton-act viel, gestadig uit te breiden: in 1895 wi3t hij het op ruim 85 000 te brengen, zoodat voortaan in hoofdzaak slechts die hoogere ambten er buiten

14

Sluiten