Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaf de uitvoerende macht aan den onschendbaren koning, met aan de Grondwet Kamers verantwoordelijke ministers; de wetgevende macht werd toege- van 1870. kend aan de kroon en aan de Cortes, bestaande uit een kamer van afgevaardigden, die door census-kiezers werden gekozen en een senaat, samengesteld uit hooge dignitarissen, aan wier ambt het recht om in dat lichaam zitting te nemen verbonden was, uit leden, die voor hun leven door de kroon werden benoemd, en uit afgevaardigden van de provinciale raden. De katholieke godsdienst werd weer godsdienst van staat, maar godsdienstvrijheid werd toegestaan, onder de beperking dat alle openbare uitingen en ceremoniën van andere godsdiensten dan den staatsgodsdienst waren verboden. Voor de liberalen beteekende deze constitutie stellig een achteruitgang, terwijl verschillende maatregelen der regeering, zooals beperking der persvrijheid, het sluiten van republikeinsche clubs, afschaffing van het burgerlijk huwelijk, hen ook ontstemden; anderzijds waren de streng conservatieven ook niet voldaan.

.Doch die onvoldaanheid leidde toch niet tot verzet: zooveel had de ellende der jaren 1868—74 toch uitgewerkt, dat de massa der Spanjaarden van politieke onrust en omwenteling afkeerig was geworden. Met de troonsbestijging van Alfons XII is een tijd van ongekende binnenlandsche rust voor Spanje aangebroken: wel kwamen 'enkele malen nog republikemsche bewegingen aan den dag, vooral in 1883, toen zij ook medewerking bij sommige troepen vonden; wel verwekten aanslagen der anarchisten in Barcelona schrik en de wijze waarop dezen in de kerkers \an het fort Montjuich werden mishandeld nieuwe verbittering, maar voor groote binnenlandsche beroerten bleef het land gespaard. Doch wat er ook veranderd was, het politieke leven bleef bedorven, zooals het vroeger geweest was. De parlementaire instellingen werkten schijnbaar voortreffelijk, met eene vroeger ongekende regelmatigheid: eene rechterzijde onder Canovas, eene linkerzijde waarin zich verschillende groepen onder Sagasta hadden vereenigd, waren beurtelings aan het hoofd der regeering. Doch hoe mooi dat ook leek, er was toch in waarheid geen gezond parlementair leven; er lagen feitelijk geen beginselen ten grondslag aan den strijd der twee groote partijen, maar louter persoonlijke belangen; verkiezingen waren nooit inderdaad vrij maar werden beheerscht door de partij, die het heft in handen had'

en hierin kwam ook geen verandering, nadat in 1890 het algemeen stemrecht werd ingevoerd. Het groote kwaad was, dat iedere verandering van regeering gepaard ging met een volledige verandering van

28

Sluiten