Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maart richtten zij tot de mogendheden, die den vrede van Peking van 7 September 1901 mede onderteekend hadden, de volgende verklaring: „De verbonden regeeringen van Frankrijk en Rusland, mededeeling ontvangen hebbende van de Engelsch-Japansche overeenkomst van 30 Januari 1902, gesloten met het doel, het statu quo en den algemeenen vrede te handhaven als ook de onafhankelijkheid van China en Korea, die open moeten blijven voor den handel en de nijverheid van alle volken, zijn ten zeerste voldaan er de bevestiging in te vinden van de beginselen, die, naar zij herhaaldelijk verklaard hebben, de grondslagen vormen en blijven van hare politiek. De beide regeeringen zijn van meening, dat de eerbiediging dier beginselen tegelijk een waarborg is voor hare bizondere belangen in het Verre Oosten. Daar ook zij evenwel verplicht zijn rekening te houden met het geval, dat hetzij een aanvallend optreden van andere mogendheden hetzij nieuwe troebelen in China, waardoor de integriteit of de vrije ontwikkeling van dat rijk in gevaar kwamen, hare eigen belangen zouden kunnen bedreigen, behouden de beide verbonden regeeringen zich voor, eventueel te voorzien in de middelen om de heiliging dier belangen te verzekeren.'"

Een plechtige verklaring, die echter al bitter weinig beteekende en misschien alleen voortkwam uit de behoefte om op de onaangename verrassing der Britsch-Japansche alliantie iets te antwoorden. Hoe het zij, te Petersburg achtte men het anderzijds nu toch ook geraden, den boog niet meer te spannen in de aangelegenheden van Mandsjoerije; wellicht zelfs diende de pompeuze verklaring slechts om het wijken van Rusland in dit opzicht wat te verbloemen. Den 8en April 1902 werd tusschen China en Rusland een verdrag gesloten betreffende Mandsjoerije, waartegen de andere mogendheden geen reden hadden verzet aan te teekenen, omdat de Russische regeering nu afzag van hare vroegere eischen. Rusland stemt toe in het herstel van het Chineesche gezag in Mandsjoerije, dat ten volle deel blijft uitmaken van het Chineesche rijk; dit verbindt zich nauwkeurig de bepalingen na te leven van het verdrag van 1896 met de Russisch-Chineesche bank en te waken voor de veiligheid van den spoorweg en zijn personeel, daarenboven van alle Russen, die in Mandsjoerije leven en van hunne ondernemingen; in drie halfjaarlijksche termijnen zullen de Russische troepen het land ontruimen, doch in dien tusschentijd zullen er niet meer Chineesche gelegd worden dan noodig is om een eind te maken aan het rooverswezen en de rust

Rusland ziet af van zjjn vroegere eischen betreffende Mandsjoerjje.

Sluiten