Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 26 December verleende een oekase aan de stedelijke arbeidersbevolking een dubbel getrapt kiesrecht, pachters op het platteland zouden zelfs heelemaal niet mogen stemmen — uadrukkelijk betoogden, dat 't hiermee niet uit moest zijn, dat ze de komende Doema bespottelijk maakten en verklaarden, aan de verkiezingen niet mee te zullen werken. De orde keerde dan ook in November en volgende maanden gansch niet terug, integendeel, een ontzettende verwarring lieerschte weldra alom. Aan de Oostzee opnieuw een vreeselijke opstand der Letten tegen de Duit9chers, bloedige straatgevechten in Re val, Kazan, Kiëf, Rostof, Odessa, Moskou, dikwijls veroorzaakt door botsingen tnsschen „patriotten" — men beweerde, dat de regeering er de hand in had — en demokraten, of ontaardende in weerzinwekkende Jodenmoorden. Yoor het hof — dat de oekase's van 19 Augustus en 30 October slechts uitgevaardigd had om ze zoo spoedig mogelijk weer in te trekken — vormde dit alles geen ongunstige omstandigheid. In de eerste plaats kon men nu in vrijwel alle belangrijke centra den staat van beleg handhaven, waardoor de in October verleende reëele concessies wederom illusoir werden. Bovenal echter moest die nationaliteitenwirwar weerstand wekken in de tenslotte nog door en door nationaal en orthodox voelende massa's van het Russische volk zelve. De Jodenmoorden vormden er het dagelijksch bewijs van. Het kwam er echter op aan, of het leger in deze kritieke maanden den Tsaar trouw zou blijven. En dat bleek, ofschoon waarlijk soldaten- en matrozenoproeren niet tot de zeldzaamheden behoorden, over het geheel toch het geval. In November en December werden opnieuw „algemeene"' werkstakingen geproclameerd. Maar het élan was er uit, de bourgeoisie steunde zeer onvoldoende. Een nieuw verschrikkelijk oproer in Moskou werd forsch onderdrukt en in het begin van 1906 was het duidelijk, dat de macht der regeering voortdurend grooter werd. Dubbelzinnig was te midden van dit alles de houding van Yon "Witte. Ofschoon in November ministerpresident geworden, schijnt het voor hem geen overwegend bezwaar opgeleverd te hebben, dat Boelyghin in zijn eigen departement, binnenlandsche zaken , opgevolgd werd door den reactionnair Doernovo. Trouwens zelf trad Witte ook menigmaal honds op tegen de revolutionnairen. Zijn ijdelheid is het ontgaan, dat het hof hem slechts noodig had, ook tegenover het buitenland, omdat een nieuwe leening moest worden geteekend. Toen deze (2250 millioen roebel) in het midden van April 1906 binnen was, kon hij gaan.

Sluiten