Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1903 en 1904 bleef de Pruisische kwestie van de Middellandkanaleu slepende, totdat eindelijk overeenstemming verkregen werd. Echter ook nu weer niet dan nadat de regeering allerlei concessies had moeten doen in ultra-protectionistischen zin: op de nieuwe kanalen zou een staatssleepmonopolie gelden en op de rivieren zouden wederom scheepvaarttollen moeten worden ingevoerd. Wat den Rijn betrof, zouden de andere oeverstaten volgens verdrag daarvoor toestemming moeten verleenen en dat zou de zaken nog lang kunnen ophouden.

Geen wonder dat van de crisisjaren 1901 en '02 een algemeene malaise Aigemeene overgebleven was. Zou dat op revolutie uitloopen zooals in Rusland of ma!ais9' althans op belangrijke, sprongsgewijze veranderingen zooals in de Donauinonarchie? Dat de Rijkskanselier zelf er niet al te gerust op wns, blijkt wel op menige plaats uit de zeer knappe redevoeringen, die hij gedurende het jaar 1904 tegen August Bebel richtte. Inderdaad — terwijl in Beieren de revisionistische sociaal-democraten een verbond aangingen met het Centrum voor de verkrijging van het algemeen kiesrecht, welk doel dan ook in November 1905 bereikt werd, zij het tevens met vaststelling van de relatieve meerderheid bij de verkiezingen — besloot in November 1904 de Pruisische sociaal-democratie tot een krachtige actie tegen het Drieklassenkiesrecht onder de leuzen „Gegen die Entrechtung voiksbewedes Volkes! Gegen die Bedrückung des Yolkes!" Maar toen bleek ook 8^8 tegen het ten overvloede, dat Duitschland nog veel minder een land was met i^iekuLsenRusland te vergelijken dan Oostenrijk. In een land met hoog-ontwikkelde kiesrecht en nog ongeschokte maatschappelijke en politieke organisatie is het (1905) ontstaan van een revolutie uiterst moeilijk. Yon Biilow, wien — zijn heele binnenlandsche staatkunde na 1903 doet de veronderstelling aan de hand — een strijd op leven en dood tegen de sociaal-democratie niet onwelkom geweest was, omdat de regeering dan de leiding verkregen had over alle burgerlijke groepen, pochte onmiddellijk: „Yor der Tyrannei der Gassen beugen wir uns nicht!" en in April 1905 stemde het Huis van Afgevaardigden met 188 tegen 81 stemmen een door de Vrijzinnigen voorgestelde kiesrechthervorming af. Ieder onbevooroordeeld beschouwer kon toen niet anders dan lof hebben voor de diep ingewortelde principes van zelfbedwang en verantwoordelijkheid in de Duitsche arbeidersklasse,

toen bij de geweldige demonstraties die plaats hadden o. a. te Berlijn van 200.000 manifestanten, nergens de orde verstoord werd ondanks de uitgebreide politiemaatregelen. Maar de gebeurtenissen tijdens en na den wereldoorlog hebben toch ook wel de vraag gewettigd, of de merk-

Sluiten