Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine persoonlijke intrigues. Maar de drie bovengenoemde strekkingen — eenmaal gegeven de noodlottige gebeurtenissen van 1904 en 1905 —

werkten met de niet-falende onvermijdelijkheid van een machine en aan geen fransche regeering zou het gegeven geweest zijn zich er aan te onttrekken. Geen wonder, dat de politiek van de genoemde ministeries veel gemeenschappelijks had: zij volgden elkaar op om andere dan principiëele redenen en zetten meestal slechts eikaars werk voort. In het algemeen kan men dus zeggen, dat de taak waarvoor na 1906 de Fransche regeerders gesteld werden deze was: vooreerst moest de strijd tusschen kerk en staat tot een bevredigend einde worden gevoerd, slechts zonder dat aan het clericalisme te veel werd toegegeven. Vervolgens moesten de steeds weer oplaaiende arbeidsonlusten,

dikwijls besmet door de inderdaad in de fransche arbeidersbeweging krachtige anarchistische en syndicalistische strekkingen, worden onderdrukt ten genoegen van de bezittende groote en kleine bourgeoisie,

echter ook weer: zonder een zeker demokratisch decorum te verliezen.

Met de socialistische en demokratische wetgeving, mits niet te duur en niet te ingrijpend, moest, althans in schijn, worden voortgegaan. Het protectoraat over Marokko moest na het dreigement van Tanger,

koste wat het wilde, zoo spoedig mogelijk worden doorgezet en —

vóór alle dingen — de buitenlandsche positie der Republiek, zoo beangstigend zwak in Maart 1905 door het uitgeschakeld zijn van Rusland en het te kort schieten der eigen weerkracht, met alle kracht worden hersteld.

Na het trekken van deze algemeene lijnen is Frankrijks binneulandsche Ministerie geschiedenis van 1905—1911 spoedig verteld. Tijdens het Ministerie Rouvier. De Rouvier, dat door de verbreking van het Concordaat onder Combes voor de van zelf sprekende opdracht stond de verhouding met de kerk opnieuw wettelijk te regelen op grond van een algemeene scheiding,

waren misschien de besproken algemeene strekkingen nog zoo heel duidelijk niet. De Minister van Eeredienst Bienvenu Martin diende in Maart 1905 een Scheidingswet in, die wel is waar door de Combisten fel becritiseerd werd, maar die toch aan anti-clericalisme weinig te wenschen overliet. Tusschen den staat en de kerkgenootschappen, die als zoodanig niet meer werden erkend, zou geenerlei, noch financiëele,

noch andere band meer bestaan. Slechts zou aan de tot nog toe gesalariëerde geestelijken een klein pensioen kunnen worden uitbetaald door staat, departement of gemeente. Er zouden „Vereenigingen totuitoefe--

Sluiten