Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de revolutie voor te bereiden". De Polen eischten autonomie, doch de K.D.-ten formuleerden het slechts vaaglijk zoo in de memorie, dat ze de eenheid van Rusland slechts dan mogelijk achtten, wanneer de „rechtvaardige eischen der verschillende rassen en naties ingewilligd waren". En als nu die rassen en naties eens niet genoegen namen met

die bevrediging van „rechtvaardige" eischen? Reeds na dit eerste

conflict lieten de ministers de Doema praten, negeerden haar geheel en vertoonden zich zelfs niet meer in haar vergaderingen. Volksbewegingen die de parlementaire revolutie over dit doode punt heen hadden moeten helpen, kwamen, maar in tegengestelden zin: dagelijksche manifestaties van orthodoxen, „echte Russische mannen", die intellectueelen afrosten, anti-semitische massamoorden, vooral in de westelijke provincies organiseerden, opgestookt zooals bleek door regeeringsambtenaren en door de politie. Lopoekliin, ex-directeur van het departement van politie,

heeft in de „Times" den chef van de „geheime afdeeling", die volgens hem in den laatsten tijd meer gezag gehad had dan de regeering zelf, ervan beschuldigd, bloeddorstige manifesten tegen de Joden te hebben opgesteld en die over het land te hebben verspreid. Langzamerhand werd het mogelijk een gelegenheid te zoeken om met de Agrarische Doema zelf af te rekenen. Reeds in haar memorie van antwoord had kwestlede Vergadering zich voor onteigening zonder schadeloosstelling van de groote grondbezittingen verklaard. De uitwerking van die agrarische plannen werd nu opgedragen aan een commissie van 94 (!) leden. De regeering tastte echter door, zij brandmerkte de bedoelingen der revolutionnairen als diefstal en diende onmiddellijk voorstellen in „tot hulp aan de noodlijdende boeren". Uit het kroondomein zouden alle bebouwbare akkers langzamerhand op gunstige voorwaarden door de boeren kunnen worden gekocht en ook gronden, door particulieren vrijwillig aangeboden, zouden beneden inkoopsprijs door den staat aan de landbouwers worden verschaft. Het voornaamste was, — want daarmee werd onmiddellijk een uitweg gewezen — dat het gemeenschappelijk grondbezit (de mir) zou worden afgeschaft. In de streken waar sinds 24 jaar geen persoonlijke oververdeeling had plaats gehad, werden de boeren,

die op dat oogenblik den grond bezaten, tot privaat-eigenaars verklaard.

Ten allen tijde zouden de mir-genooten tot verdeeling in privaat-eigendom kunnen overgaan, terwijl iedere mir-genoot eveneens ten allen tijde daaruit zou kunnen treden en aanwijzing van zijn stuk als privaateigendom kunnen verlangen. Deze voorstellen waren echter de Doema

Sluiten