Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

talen, schoon zij zich niet in alle even consequent en algemeen heeft ontwikkeld. ')

Nauw hangt zij daar samen met het eigenaardig karakter der accentuatie. In de meeste Oeral-altaïsche talen toch valt het accent op het hoofdwoord van een woordcomplex. In de UgroFinnische talen (Majyaarsch, Einsch, enz.) is dat regel zonder, in het Mongoolsch en andere talen regel met uitzonderingen. De andere deelen van een woordcomplex, die als bepalingen kunnen beschouwd worden — of ook als praepositionale (strikt genomen postpositionale) suffixen — op de grens van naamvalsuitgangen staande, hebben geenen of slechts zwakken bijtoon. Bij agglutineerende talen kan zulk eene accentuatie ons niet verwonderen : waar woorden zinnen of halve zinnen zijn, vallen woorden zinaccent samen. Men zou het eene logische of rationeele accentuatie kunnen noemen. Wordt nu de vocaal der zwaar geaccentueerde lettergreep in het Oeral-altaïsch vóór in den mond (palataal) uitgesproken, dan gaan de achter in den mond (gutturaal) uitgesproken vocalen der minder geaccentueerde lettergrepen in overeenkomstige palatalen over en omgekeerd. Zóó is het b.v. in het Finsch. De vocaal der hoofdlettergreep werkt alzoo met het accent samen om van de verschillende woordbestanddeelen eene harmonische eenheid te maken.

Reeds in overouden tijd begonnen, heeft zich dit verschijnsel in historisch en tijd steeds uitgebreid. In de 12de eeuw heette in het Majyaarsch b.v. „aan den dood" nog haldl-nec, „in het land" nog uruzag-bele; maar tegenwoordig haldl-nah, orszag-ba. Toen waren nee en hele nog leden der samenstelling, nu zijn ze naamvalssuffixen voor den datief en den illatief. Het Majyaarsch gaat daarbij nog wat verder dan het Finsch: het verwijdert niet alleen de onderlinge afwisseling van gutturalen en palatalen, maar ontneemt 'de ronding (labialisatie) ook aan de vocalen der bijlettergrepen als de hoofdlettergreep eene ongeronde (dentale) palataalvocaal (e of i) heeft, ofschoon daar aan eene ongeronde gutturale vocaal (a of y) zoowel eene geronde gutturaal (o of ü) als eene ongeronde (a of//) kan gepaard gaan, en aan eene geronde gutturaal vocaal (o of li) iedere gutturaal (dus o, lï, a, y), aan eene geronde

i) Zie daarover Dr. Alex. Giesswein, Die Hauptprobleme dei• Sprach• wissenschaft, Freiburg i B. 1892, p. 26—30.

Sluiten