Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterk verhollandscht. Friesch is nog altijd de Noordhollandsclie uitspraak van ons woord schaap, namelijk sTceejp. In het Middeleeuwsch Friesch wordt onze lange a als ê geschreven en het Noordhollandsch is met het Gooisch en Hindeloopensch hierin zelfs conservatiever gebleven dan het Landfriesch, waarin het woord nu skieëp luidt. Nu was het in de 13de eeuw nog bekend, dat Friesland zich in ouden tijd van de Wezer tot het Zwin heeft uitgestrekt. De Zeeuwen en Zuidhollanders alzoo werden ook eenmaal als Friezen beschouwd, die later, met Franken vermengd, de taal der Franken overnamen. Maar nog altijd is hun dialect niet zuiver Frankisch, en zeker is dat niet hunne uitspraak van onze lange a als ae. Zij zeggen schaep, terwijl de Franken schbap en de Westelijke bewoners van Zuid-Holland en Kennemerland schaap zeggen. Maar hoe komt het nu, dat de Noordhollanders het Oudfriesche skeejp hebben gehandhaafd en de Zeeuwen — zeker zonder eenigen Frankischen invloed —- schaep zeggen, dus met eenige afwijking? Is dat taalevolutie van lateren tijd of hebben misschien de Zeeuwen reeds van oudsher zich door hun schaep (oudtijds natuurlijk skaep) van de Noordhollanders met hun skeejp onderscheiden 'i Ik geloof inderdaad, dat het laatste het geval is. De Zeeuwsche Friezen waren ongetwijfeld andere Friezen dan de Noordhollandsche en spraken ook reeds vóór hunne vereeniging met de Franken anders, omdat het geen onvervalschte Friezen waren. De ethnoloog zal die bewering zeker niet te stout vinden. Het type der Zeeuwsche bevolking wijkt van het echt Friesche tvpe in het oogvallend af, ware het alleen maar door de donkere kleur der oogen, die in Zeeland zeer veelvuldig voorkomt en die men wel eens — maar volkomen te onrechte — aan Spaansch bloed heeft toegeschreven. In de Zeeuwen vermoed ik een ouderen, eene geheel andere taal sprekenden stam, die zich beijverd heeft, het Friesch aan te nemen, maar daarbij c als ae ging uitbrengen, en die later nog weer dat aangenomen Friesch gedeeltelijk door een aangenomen Frankisch verving. In het Zeeuwsch zullen wij dus met drie taai-lagen, om het zoo eens te noemen, te doen hebben, van welke de oudste wel eene Keltische zou kunnen zijn.

Met meer zekerheid echter mogen wij een Keltischen ondergrond aannemen voor de taal der Zuidelijke Nederlanden, waar zelfs in Caesar's tijd nog ter nauweruood de eerste voorloopers der Germanen waren doorgedrongen. Zeer waarschijnlijk hebben wij

Sluiten