Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. Het Kanadnietisch of de taal van Palaestina en der aan de Middellandsche zeekust daaraan grenzende landen. Zoo behoort er dan in de eerste plaats het Hebreeuwsch toe, dat door de wegvoering der Israëlieten naar Ninive en Babyion ophield eene volkstaal te zijn, maar als heilige taal schriftelijk en mondeling in eere gehouden werd en ons niet alleen in zijn oudsten vorm door het Oude Testament bekend is, maar ook in jongeren vorm door eene bijzonder rijke litteratuur, die in de 3de eeuw n. Chr. met de Misjna van Kabbi Jehuda Hanasi aanvangt en, o. a met de Midrasj voortgezet, niet alleen talrijke en omvangrijke rabbinistische en wijsgeerige werken heeft opgeleverd, maar ook poëzie en belletristisch proza, en die ook nog tegenwoordig in omvang blijft toenemen. Nauw aan het Hebreeuwsch verwant is het Moabietisch en ook het Phoenicisch, dat wij nog door eenige opschriften kennen ') (zie over het schrift bl. 315 vgl.) en dat zich door de talrijke volkplantingen der l'hoeniciërs langs de kust der Middellandsche Zee ver buiten het moederland verbreidde en o. a. onder den naam Punisch de taal werd van de Carthagers, die haar weer verder brachten tot in Sicilië, Gallië en Hispanië, waaruit echter de Romeinen haar later weer verdrongen. Dat gebeurde niet op de Noordkust van Afrika zelf, want daar werd het nog door Augustinus in zijne brieven als spreektaal (met name van 't Oosten van Mauritanië) vermeld ; maar zeker is het er nooit ondergegaan, alleen een paar eeuwen later vermengd geworden met het evenzeer Semietische Arabisch der Muzulmannen. Ook de Semietische bestanddeelen van het nu veritalianiseerde Malteesch zullen zeker niet alleen van Arabischen, maar ook van Punischen oorsprong zijn.

3°. Het Aramecsch, zoo geheeten naar Aram, den zoon van Sem (iGenesis X vs. 22), wiens nakomelingen de oorspronkelijke bewoners van Mesopotamië zouden geweest zijn, is in Oost- en WestArameesch te onderscheiden. Het Oost-Arameesch is vooreerst het Chahleeuwsch, de taal van Nebukadnezar's rijk in de 6de eeuw v.

i) De (771 oudst-bekende inscripties zijn in 1837 bijeengebracht in de Monumenta Hnguae Phoenieiae van Wilhelm Gesenius, den eersten Semitoloog van zijn tijd en door zijne werken over de Hebreeuwsche taal beroemd. Voor hetgeen later nog gevonden werd zijn, onder vele andere werken, nog te raadplegen Paul Schröder, Die phönizische Sprache (1809). Ern. Renan, Mixsion ile Phénicie 11874; en Julius Euting. Corpm Inscriptionum Carthayiniensimn, Strassburg 1883. Een aardig beknopt overzicht gaf H. Hermans, De overblijfselen der Phoenicische letterkunde, Groningen 1876.

Sluiten