Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Grieksche tongvallen behoort '). Als door niet-Grieksche dialecten (het Istrisch en Thracisch) begrensd, is er veel kans opj dat het van deze ook ('enigen invloed heeft ondervonden, maar sedert de nauwe aanraking van Philippus en Alexander van Macedonië met de Grieken onderging het ongetwijfeld sterken invloed van het Attische Grieksch, zooals b.v. Aristoteles dat schreef, dat feitelijk de hoftaal der Macedoniërs werd en door de krijgstochten van Alexander eene wereldtaal is geworden.

Als zoodanig n oest het Grieksch langzamerhand ook eene eenheid gaan vormen, en ofschoon de dialecten natuurlijk als volkstalen bleven bestaan, vormde zich daarboven een gemeenlandsch dialect, ri r.oivr, SiatexTst;, met het Attisch tot grondslag, als schrijftaal en beschaafde spreektaal 2). Als zoodanig ver verbreid, kwam het vooral in Aegypte, met name te Alexandrië, tot grooten bloei door eene wetenschappelijke en wetenschappelijk getinte belletristische litteratuur. In dat algemeene Grieksch is ook de Septuagint en veel later het Nieuwe Testament s) geschreven. Te Alexandrië ontstond ook de grammatische beoefening der Grieksche taal, waaraan nog altijd een groot deel onzer spraakkunstige terminologie ontleend is. De eerste eigenlijke, doch slechts fragmentarisch bewaarde, Grammatica werd in de 2de eeuw v. Ch. geschreven door Dioxvsus Tiirax, leerling van den taalgeleerden criticus Ahistakchus. Zijne leerlingen waren in de 2de en lste eeuw v. Ch. de jongere Dionysius, Ammoxius, en vooral Didymus en Tbyi'hon, een tijdgenoot van Augustus. Uit de 2de eeuw na C'hr. zijn nog Apollonus Dyskolos en zijn zoon Hekodianüs te noemen. Hen volgden de Latijnsche grammatici, die ook deze schepping der Grieksche wetenschap vol bewondering overnamen en ook zelf de studie van het Grieksch hielpen bevorderen, zoodat zelfs de heerschappij der Eomeinen aan de heerschappij van het Grieksch daar en elders geen afbreuk kon doen, al bracht zij ook den naam Grieksch in gebruik, terwijl de taal te voren gewoonlijk Uellecnsch werd genoemd; en toen het groote

') Daarover schreef een der beste kenners van liet Nieuwgrieksch, G. N. Hatzidakis, Zur Abstammung der alten Makedonïèr, Athen 1897.

2) Zie over dat Giiekscli Albert Thumb, Die grieehische Sprache im ZfttnUer des UeUenisinug, Strassburg 1901.

J) Daarvoor heelt men o. a. Friedrieh Blass, Qrammatik des neuteslamentlichen Griechisch, Gött. 181*5.

Sluiten