Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenige archaïsmen komen nog voor in de overlevering der Lex XII tabularum en bij de oudere Latijnsche dichters, zooals lMautus, Terentius, Ennius, Lucretius, enz. en bij latere schrijvers, die aan hunne geschriften eene ouderwetsche kleur wilden geven. Over de schriftvorming der Latijnen zie men blz. 322 vlg.

Op het voetspoor der Grieken zijn ook de Romeinen hunne taal wetenschappelijk gaan bestudeeren. In de 1ste eeuw v. Ch. hield M. Terentius Varro zich vooral met (in ons oog natuurlijk uiterst gebrekkige) woordafleiding bezig, terwijl de wereld veroverende C. Julius Caesar op zijne krijgstochten in Gallia in zijn (nu verloren I werk Do analor/ia de eerste Latijnsche grammatica schreef. Van de latere grammatici hebben ook nog gedurende de middeleeuwen Aelius I)on'ati's en Priscianus (uit de 4de eeuw met zijne Institwtiones gramnaiicae) het grootste gezag gehad. In de Middeleeuwen zelf was de beroemdste leeraar der Latijnsche spraakkunst Ai,ex ander de Villedieu, wiens Doctrinale (van omstreeks 1200) zich nog tot het laatst van de 15de eeuw, d. i. tot het optreden der humanisten, wist te handhaven.

Tegenover het Latijn worden de andere, nauw met elkaar verwante, Italische talen samengevat onder de namen van Umlrisch en Oskisch '), ons door belangrijke oude inscripties bekend, zooals het Umlrisch o.a door de jEwjubinüche tafelen, vermoedelijk uit de 4de eeuw v. Chr., met liturgische voorschriften voor den tempel van Jupiter Apenninus te Iguvium, en het Oskiscli, dat later ook in Campania gesproken werd, o. a. door de iabula Bant ia, die het stadrecht van Bantia bevat, en de cippus Abellanws met een verdrag tusschen Nola en Abella. Ook hebben wij nog kleine opschriften in het Sabel/inch (der Sabini) en het daaraan verwante 1'aelirjnisch, het Vohkisch, het Alarsisch, het Faliskisch en enkele andere tongvallen, die zich bij de beide bovengenoemde hoofdgroepen aansluiten.

In sommige opzichten hebben Umbrisch en Oskisch een wat ouderwetseher karakter dan het Latijn, bv. door het bewaren van

i) Zie Theodor Monimsen, Die unteritalischen Dialede, 1850; Michel Bréal. Les tables Eugubines, Paris 1875; Robert von Planta Grammat ik der Oskisch- Umbrischen Dialekte. Strassburg 1895; I. Zwetajew Inscriptiones Italiae In'erioris dialecticae. Mosquae 1886, en Si/llo</e inscriptionum Oscarum, St. Petersb. 1878: C. D. Buck. Der Vocalismus der Oskisch en Sprachf, Leipzig 1892, en R. S. Conway, The Italic Dialects, Cambridge 1897.

Sluiten