Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag was ik in gebed; en toch, zie, ik sta alleen, weduwnaar met een gebroken hart, weduwe dubbel verlaten, in hart en maatschappij; toch, zie, ik ben wees, en ik had mijne ouders zoo noodig; ik sta kinderloos als oen ontbladerde stam, 011 ik had mijne kinderen zoo lief. Ik wandel in rouwe de rest mijns levens; want, ik maü

*" 7 ' o

het mij niet ontveinzen, mijn leven is geknakt; en wilde ik trachten te vergeten, ik zou mij in eigen oog verlagen. O neen, geliefde broeder of zuster die alzoo spreekt, o neen, vergeet niet, vergeet nooit: de verlatene plaats blijve ledig; de herinnering blijve, zij blijve levendig, eeuwig, in uwen geest. Dat die beelden, die beelden nu zoo smetteloos daar zij onzichtbaar zijn, dat zij uwen hemelschen horizon bevolken. Ziet, ik wijs u op eene geheimenis der liefde, die gij wellicht nog niet bespeurd hebt of nog niet daarover nagedacht. Indien gij wezenlijk eene ziel hebt liefgehad op aarde en voor haar gebeden en zij van uwe zijde is weggenomen op aarde, niet waar, dan leeft gij nog wel eens met die ziel in uwe gedachten; maar hebt gij wel opgemerkt hoe zij u dan verscheen? Is het niet, verheerlijkt; is liet niet, zonder spoor van gebrek en onvolkomenheid? Hetgeen hier beneden slechts nu en dan helder uitkwam, — want wij zien zoo zelden liet ideale wezen van iemand in onzen dagelijkschen omgang, liet beeld Gods in hem, — dat is nu zijn geheele wezen geworden. Zoo verschijnt hij u geheel en al. Het overige is verdwenen. Ja; liet is wel dezelfde dien wij liefhadden, wel dezelfde en toch ook niet dezelfde; hij is het, maar geheel veranderd, vergeestelijkt, verheerlijkt; hij is bet zonder spoor van dood noch van zonde. Welnu, gij die u beklaagt dat uwe gebeden niet verhoord zijn geworden, geven deze ervaringen u niet liet antwoord ? Vuriglijk hieldt gij aan om het loven uwer afgestorvenen. Welnu, zijt gij niet verhoord geworden? Hebben zij het leven niet ontvangen? Daar knieldet gij neder, ouders, voor een wieg; het noodlottig oogenblik zaagt gij altijd naderen en gij wildet het altijd verschuiven. Indien hot van u had afgehangen, uw kind leefde nog. Maar ziet, deedt gij niet ondanks u zeiven het werk der discipelen, die de kinderkens van hem wilden weren

Sluiten