Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenscht te staan, wil toch een schijn van godsdienst. Hij wil geenen God van nabij maar wel een God van verre. Dezen heeft hij noodig om zijn geweten in slaap te wiegen, den schrik des doods te ontvluchten, in één woord: om zich zeiven te misleiden. Voor mij dezen tijd, aan God de eeuwigheid : dus luidt zijne alledaagsche wijsheid. Worden er evenwel deïsten gevonden, die het niet zijn uit geestelijke traagheid noch wereldzucht, hetgeen niet onmogelijk is onder de heerschappij der heerschende vooroordeelen, welnu, ik durf mij gerust op hen beroepen 0111 hun de bekentenis aftepersen, dat hun godsdienst hen niet bevredigt, dat zij zich ongelukkig gevoelen in hun stelsel. O, hoe menigmaal wordt de klacht half luide gehoord: O kon ik gelooven, gelooven wat de bijbel leert, gelooven wat de vromen belijden, gelooven het mysterie des christendoms, hoe gelukkig zou ik zijn, hoe gelukkig zijn zij die gelooven! Zoo bevestigt het deïsme zelf onwillekeurig de waarachtigheid der behoefte die zich lucht geeft in deze aanbidding van Thomas: „mijn Heer en mijn God!"

Maar wordt aan deze behoefte voldaan ? Is God mensch geworden ? Een Thomas zegt: ja. Bedriegt hij zich ? Drukt het woord der aanbidding: mijn Heer mijn God! eene wareofeene schijnbare bevrediging der behoefte uit?

Om dit uittevorscheu hebben wij vooreerst den aard der gebeurtenis te onderzoeken, waarin Thomas deze bevrediging vindt. Wij hebben het reeds gezegd: het geloof van Thomas rust op tweederlei getuigenis: de eene, eene inwendige, het oordeel zijner consciëntie over Jezus' persoon; de tweede, eene uitwendige, de verschijning des verrezenen. Uit het samentreffen dezer twee getuigenissen ontstaat zijne belijdenis: mijn Heer en mijn God! Zij kunnen niet van elkander gescheiden worden, Thomas zou den gekruisigde niet als zijn Heer en zijn God erkend hebben, indien hij hem niet gezien had opgestaan uit de dooden. Maar deze verschijning zou evenmin in de ziel van Thomas die aanbidding hebben gewekt, zoo deze er niet in beginsel aanwezig ware geweest, zoo zijne vroegere ervaring ten aanzien van Jezus daartoe niet

Sluiten