Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ook naar de taal der Heilige Schrift, de deugd, die ons voor het leven in deze wereld geschikt en dat leven in deze wereld vruchtbaar maakt? Daarom heet Salomo de wijze bij uitnemendheid, niet om de profetische gave die hij niet bezat, maar om zijn praktischen blik, om het inzicht dat hij had in de dingen dezer wereld. En de schriften der wijsheid in de Schrift, voornamelijk het boek der Spreuken, waarom bekleeden zij zoo eigenaardige plaats in het organisme der Heilige Schriften, indien niet, omdat wij daar van de profetische hoogte afdalen in de wegen der menschheid en maatschappelijke deugd leeren hoogschatten als vrucht van teedere vreeze Gods? En deze Jacobus, wordt zijn brief ook niet door dezulken hoog gewaardeerd, voor wie Paulus te diepzinnig en Johannes te mystiek is, om het practisch karakter dat zij hem toekennen?

Welnu dat de heilige schrijver hier van wijsheid spreekt is wel het bewijs dat het geloofsleven ook in zijn oog niet in onvruchtbare speculatiën bestaat, dat die onzichtbare wereld, waarin hij ons wil doen leven, voor hem niet is eene luchtverheveling, onnaspeurbaar en ontastbaar. De lijdzaamheid die hij aanprijst, is geene lijdelijkheid, en de w ij sh e i d die van haar onafscheidelijk is geene bespiegeling. Wilt gij de lijdzaamliei door tegenstelling leeren verstaan, noem haar het tegenbeeld van de hartstochtelijkheid, van dien gejaagden, koortsachtigen ijver, dien velen voor kracht houden. Wilt gij de eenheid van lij zaamheid en wijsheid kennen, let op de samenvoeging die wy elders bij hem aantreffen in deze twee woorden: zachtmoedige wijsheid (111:13), die hij noemt de wijsheid die van boven is. Zachtmoedigheid is de naar den mensch gekeerde zijde, van hetgeen in zijn verborgen wezen naar God is lijdzaamheid; de lij zame nu, die zachtmoedig is, is wijs. Mocht ik u de heerlijkheid van die gemoedsstemming, die de vrucht is der beproeving des geloofs, alzoo voorstellen, als zij zich aan mijn oog vertoont, om haar en begeerlijk èn aantrekkkelijk te maken. Maar wat behoef ik u haar te teekenen2 Ziet gij haar niet in het beeld van hem die ons de onziclit-

Sluiten