Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind te zien sterven — zoo ver reikt de natuurlijke liefde niet. Hagar, de moeder, is niet als Maria, de moeder, — maar toch zij waakt en eer het kind den laatsten snik heeft gegeven, zal haar kracht niet verbroken worden. Eerst het sterven van het kind zal haar sterven zijn. Zoo zit zij daar neder als het levend beeld der wanhoop, niet als Maria op Golgotha, maar als Maria Magdalena voor het gesloten graf, als deze, hare stem opheffende en weenende. Maar zij die daar weende heeft ook nog een oor om de stem van boven te hooren, en als die diep in haar hart weerklinkt, een oog om de verborgen bron te zien en als zij die ziet een hand om den jongeling op te beuren en moederkracht om hem te steunen.

Zegt ons dit middelaarschap der moeder niets? Diep in 's menschen hart verholen is het gevoel van de heiligheid der moederliefde, der moedersmart, der moederkracht. Wel te recht heeft de christelijke kerk aan Maria, de moeder des Heeren, ten allen tijde de eereplaats toegekend onder de door haar vereerde heiligen, en het woord van den engel overgenomen: o, gij begenadigde en gezegende onder de vrouwen. Alleenlijk, — helaas, hoe licht wordt het heilige ontheiligd onder de menschen! — heeft zij èn God èn mensch onteerd door de moedermaagd tot een bovennatuurlijk wezen te . . . verheffen of te verlagen, hoe zal ik het noemen ? alsof zij aan de gevallene menschelijke natuur nog datgene wilde ontnemen, wat God haar gelaten had, en alsof God geëerd wierd door zijne gave te miskennen. Neen, anders en beter oordeelden de profeten, als zij om de onpeilbare diepten der goddelijke liefde eenigszins te verklaren, haar aanknoopten aan de moederlijke liefde op aarde: „Als een, dien zijne moeder troost, alzoo zal Ik u troosten" (Jes. LXVI: 13). En de hoogste vreugde der opstanding wordt die door hem, die de waarheid is, niet vergeleken bij de natuurlijke vreugde der moeder: „Eene vrouw, wanneer zij baart heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is, maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zy de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een

Sluiten